Siegfried Blaauw: Vergeten concertpianist en conservatoriumdirecteur vermoord in Kamp Amersfoort

Floris van Dijk

In Kamp Amersfoort bevonden zich gevangenen van internationale en nationale faam. Zonder iemand te kort te willen doen behoorde de Joodse pianist Siegfried Blaauw (gevangene nummer 422; 1889-1942) tot de top. Zijn leven valt te reconstrueren uit honderden krantenberichten, recensies van zijn optredens en pamfletten met aankondigingen van zijn concerten. Een klein gedeelte daarvan bevindt zich in een knipselmap van het Nederlands Muziekinstituut te Den Haag.

Siegfried Blaauw

Vorming

Geboren op 5 september 1889, als zoon van de Rotterdamse kantoorbediende Jacob Blaauw (1859-?) en Sara Gans (1856-1927), bleek zijn grote talent al snel. Siegfried Blaauw, in buitenlandse pers soms geschreven als Blau of Blauw, werd toegelaten tot het conservatorium in Amsterdam en voltooide die opleiding; zijn docenten waren Jeannette Cijfer (1871-1943), Jean-Baptiste de Pauw (1852-1924) en Louis Schnitzler (1868-1933). Blijkens zijn getuigschrift d.d. 1 juli 1908 behaalde hij voor hoofdvak piano ‘voldoende’ en voor bijvakken violoncel ‘tamelijk’, solfège ‘goed’ en samenspel ‘zeer goed.’ De slotzin luidde: “Begaafd met groote eigenschappen als virtuoos en tevens in ’t bezit van zeer goede muzikale gaven, heeft hij reeds nu door studie een standpunt weten te bereiken dat gegronde hoop geeft voor een zeer schoone toekomst.”

Vervolgens studeerde Blaauw verder aan de conservatoria van Berlijn en Wenen bij niemand minder dan “de pianist der pianisten” Leopold Godowski (1870-1938), die op 12 september 1911 een aanbevelingsbrief voor hem als conservatoriumdocent schreef. In 1914 keerde hij terug naar Nederland. Blaauw trouwde in 1922 met Wilhelmina van Krieken (1902-?) maar scheidde van haar in 1937.1

Getuigschrift, 1908.
Aanbevelingsbrief van Leopold Godowski, 1911.

Optredens

Waarschijnlijk was zijn eerste optreden een matinée-voorstelling als dertienjarige in 1902 met de professionele alt Lotte Roosing (1876-1963), dat het beeld van een kindsterretje oproept. In de twee decennia daarna bleef hij optreden, meestal als begeleider op piano, vleugel of klavier van solisten, meestal zang, cello of viool, en heel soms als solist.2 Een verslag van een concert in 1907 begon met een lage verwachting omdat Blaauw en zijn twee medemusici zo jong waren, maar de recensent moest vervolgens zijn ongelijk over de muzikale kwaliteit toegeven.3
Bij zijn concerten werkte hij samen met grote internationale namen, zoals onder andere de vocalisten Joy McArden (1892-1953, sopraan), Ingrid Brebeck (1897-?, sopraan), May Blyth (1899-1985?, sopraan), Joseph Holthaus (1879-1943, tenor), Jonkvrouwe Jacoba Repelaer van Driel (1884-1967, alt), Anton Sistermans (1865-1926, bariton) en Gerard Zalsman (1871-1949, bariton)4; de violisten Georg Kulenkampff (1898-1948), Viola Mitchell (1911-2002), Léon Rudelsheim (1896-1956), Alexander Schmuller (1880-1933) en Sam Swaap (1881-1971);5 de cellisten Arnold Földesy (1882-1940), Maurits Frank (1892-1959), Jacques van Lier (1875-1951), Max Oróbio de Costa (1887-1962) en Louis Schuijer (1901-1943);6 en de harpiste Rosa Spier (1891-1967).7

Soms week hij af van het pad van de klassieke muziek en speelde voor cabareteske ondersteuning met de grondlegger van de Nederlandse kleinkunst, Jean-Louis Pisuisse (1880-1927).8 Een enkele keer was er een recital met meerdere pianisten.9 Ook werden verschillende ‘volksconcerten’ georganiseerd door en met Blaauw.10 Zijn naam dook ook meermaals op als jurylid.11

De locaties waar Blaauw in Nederland optrad waren onder andere het Concertgebouw (Amsterdam), Diligentia (Den Haag), de Doelen (Rotterdam), Kurhaus (Scheveningen) en Pulchri Studio (Den Haag). De Nederlandse consul-generaal in Wenen gaf in 1911 de toen 21-jarige Blaauw een reisbrief die hij kon tonen in Roemenië, Rusland en Egypte. In het buitenland concerteerde hij onder andere in Alexandrië, Athene, Berlijn, Boedapest, Brussel, Caïro, Colmar, Constantinopel, Düsseldorf, Keulen, Krakau, Leipzig, Metz, Mulhouse, Salzburg, St. Marie, Straatsburg en Wenen.12 Hoewel enkele podia ontbreken voor de absolute wereldtop voor klassieke muziek uit die tijd (zoals Londen, New York, Parijs en Sint Petersburg) was Blaauw zonder twijfel een respectabel en begenadigd musicus.

Aankondiging van een optreden in Leipzig, 1909.
Aankondiging van een optreden, 1913.
Aankondiging van een optreden, 1917.
Aankondiging van een optreden, 1917.
Blijkens de recensies in de kranten was het publiek na afloop van zijn optredens doorgaans zeer enthousiast. Zijn begeleiding op piano van diverse solisten werd algemeen beschreven als ‘voortreffelijk’, ‘veel kunde en artistieken zin’, ‘altijd zeer muzikaal’, ‘uitnemende pianistische gaven’, ‘mooi spel, vlot en zorgzaam’ en ‘volbracht zijn moeilijke taak op uitmuntende wijze’. Een recital werd door de bekende componist Willem Pijper (1894-1947) voorzichtig positief beoordeeld: begeleidend was het ‘zeer verdienstelijk’ al gaf het solospel hem ‘weinig genot’.13

Uit de in kranten gepubliceerde annonces, recensies van concerten en pamfletten die concerten aankondigden blijkt het repertoire van Blaauw te hebben bestaan uit stukken van onder andere Andersen, Bach, Balakirev, Beethoven, Boccherini-Kreisler, Boëllmann, Borodine, Brahms, Chaminade, Chopin, Cornelius, Cui, Donaudy, Doppler, Dowell, Duparc, Dvorzjak, Ernst, Fauré, Franz, von Glück, Gretschnaninow,  Grieg, Hafgren, Hirbay, Kriens, Landré, Mendelssohn, Mozart, Nardini, Liszt, Metdner, Moussorgsky, Paganini, Prokovieff, Reger, Rubinstein, Saint Saëns, Schenk, Schumann, Sibelius, Strauss, Tsjaikovski, Valemin, Voormolen, Volkman, Wieniawsky en Wolff-Ferrari. Siegfried Blaauw was actief in de klassieke muziek tijdens de overgang van de romantiek (Brahms, Chopin, Moussorgsky, Tsjaikovsky e.a.) naar een fase met experimentele muziek en diversiteit (Prokovieff, Reger e.a.); blijkens zijn oeuvre bewoog hij zich op beide terreinen.

Directeur

Naast zijn carrière als concertpianist ontwikkelde Blaauw zich ook als muziekpedagoog. Hij doceerde tot 1912 op het conservatorium in Neustadt (an der Weinstrasse) en werd benoemd tot hoofddocent klavier aan het conservatorium in Danzig (Gdansk).14 In 1916 was hij mede-oprichter van het Conservatorium voor Muziek in Rotterdam, waar hij in 1925 opstapte en Jos Holthaus hem opvolgde als directeur.15 In 1923 werd hij directeur van de Nederlandsche Academie voor Muziek te Den Haag, niet te verwarren met het al in 1826 opgerichte Koninklijk Conservatorium Den Haag (en tegenwoordig ook bekend als het Haags Conservatorium). Dit betrof de noodlijdende muziekschool M.U.S.I.C.A. in Den Haag die vanaf januari 1924 ‘Haagsch Conservatorium van Siegfried Blaauw’ ging heten en door hem ingrijpend werd gereorganiseerd. Onder andere Theo Uden Masman (van The Ramblers; 1901-1965) genoot daar zijn opleiding onder Blaauw.16

Zeugnis van het conservatorium in Neustadt, 1912.

Vele krantenberichten geven inzicht in organisatorische aspecten van de muziekopleiding onder directeur Blaauw. Zo werd regelmatig geadverteerd met de aangeboden leergangen door het Haagsch Conservatorium.17 Ook werd aangekondigd dat de eerste prijs van een vioolconcours op 16 januari 1927 voor de beste leerling van het Haagsch Conservatorium een viool was; een jaar eerder betrof het een vleugel voor pianisten.18 Het aantal cursisten bedroeg in september 1925 al 723.19

In 1927 was een cabaretopleiding van Pisuisse verbonden aan het Haagsch Conservatorium.20 Een concertzaaltje van het conservatorium werd in 1928 geopend aan de laan van Meerdervoort.21 In 1928 werd door het Haagsch Conservatorium een derde schoolgebouw geopend (aan de Herman Costerstraat 196-197).22 Een jaar later volgde al een vierde schoolgebouw en wel aan het Stadhoudersplein 13.23 Ook in 1929 werd een school voor operette gestart, eveneens verbonden aan Haagsch Conservatorium; de docenten waren grootheden als Fritz Hirsch (1888-1942) en Jozef Ziegler (1880-1941).24 Hirsch had in 1926 het eerste Nederlandse operettegezelschap opgericht, getiteld ‘De Fritz Hirsch Operette’; dit gezelschap werd zo populair dat het een uitvoering mocht verzorgen bij het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard in 1937.25
Benoemingen van docenten aan het Haagsch Conservatorium werden in kranten aangekondigd. Ook hier bevonden zich grote namen onder: zo werden onder andere sopraan Elize de Haas (?-1974) en de tenor Attilio Salvaneschi (1873-1938) gecontracteerd.26 Als docent viool aan het Haagsch Conservatorium werd de aanstelling bekend gemaakt van Willem Brederode (1901-1969) en voor piano Gusta Bruijn-Koch (1889-1978).27

Vanaf oktober 1932 verscheen onder auspiciën van Blaauw een heel nieuw maandelijks en geïllustreerd tijdschrift, ‘Muziek en Theater’.28 Op 25 augustus 1934 trad voor het eerst een orkest op van werkloze musici, onder leiding van Blaauw.29 De Nationale Filmschool werd als samenwerkingsverband van verschillende filmmaatschappijen in 1935 opgericht voor aanstaande acteurs en organisatorische directeur werd Siegfried Blaauw.30

Er waren meer particuliere muziekscholen die de aanduiding ‘conservatorium’ gingen voeren, naast het ‘Haagsch Conservatorium van Siegfried Blaauw’. De roep om accreditatie van vakopleidingen en strengere toelatingsexamens nam daardoor begin jaren dertig toe. Het Koninklijk Conservatorium kon zo als allereerste muziekopleiding zijn positie verstevigen en een stap zetten richting professionalisering. Het zou maar zo kunnen dat Siegfried Blaauw en zijn succesvolle conservatorium annex muziekschool, gegroeid van 80 naar ruim 1100 leerlingen, zo de voet dwars werd gezet. In elk geval werd het wat stil rond Siegfried Blaauw. Maar in 1939 begon Blaauw weer op te treden, al was het niveau volgens een recensent lager dan eerder.31

Kamp Amersfoort

Onder de allereerste groep gevangenen van Kamp Amersfoort, die op 18 augustus 1941 werd binnen gevoerd, bevonden zich al Joden. In die tien maanden voor de opening van Kamp Westerbork, in juli 1942, vervulde Kamp Amersfoort de rol van Holocaustkamp. Tenminste zeven transporten met Joden gingen vanuit Kamp Amersfoort rechtstreeks naar Mauthausen en twee treinen naar Auschwitz; nagenoeg allen zijn daar vermoord. Ter plekke zijn tenminste 82 Joodse gevangenen vermoord in Kamp Amersfoort.32 Zoals Siegfried Blaauw.

Blaauw woonde indertijd aan de Henegouwerlaan 28b in Den Haag. Op 7 juni 1942 werd hij gearresteerd en opgesloten in het Oranjehotel. Onduidelijk is wanneer hij naar Kamp Amersfoort werd getransporteerd.

Fritz Hirsch, de grote operettezanger waar Blaauw mee samenwerkte, zou net als Blaauw ook in 1942 in Kamp Amersfoort belanden. De kans dat zij elkaar daar hebben getroffen is klein, want hoewel de exacte datum van aankomst van Blaauw onbekend is moet hij later dan Hirsch zijn opgesloten: die werd namelijk al op 10 juni 1942 vermoord in Mauthausen.33

Op een medische lijst van Kamp Amersfoort staat de naam van Blaauw omdat hij op 7 september 1942 lichte arbeid kreeg toegewezen. Dat is te zien als teken van verzwakking. Op 7 oktober 1942 om 20:00 uur bezweek hij, ongetwijfeld vermoord zoals vele Joden in Kamp Amersfoort en zeker in die periode. Meerdere medegevangenen getuigden na de oorlog over de beestachtige mishandelingen door de SS-bewakers tegen de kwetsbare Joodse gevangenen, die vaak uitmondden in moord.34 De eerste dode van Kamp Amersfoort, op een totaal van 662 personen, was niet toevallig de Joodse Alexander Mogendorff (# 70; 1897-1941) op 19 november 1941.

Medische lijst van Kamp Amersfoort, 7 september 1942.

Over de omstandigheden van het overlijden van Blaauw is niets bekend. Een enkele gevangene, die tegelijk met hem in de maanden september en oktober 1942 gevangen zat, beschreef in zijn memoires het structurele mishandelen in de zware arbeidsploegen zoals het voortslepen van de met stenen verzwaarde wals onder aanhoudende slagen van knuppels en zwepen. Ook werd door de SS-bewakers antisemitisme onder medegevangenen aangewakkerd. Sommige Joden werden bungelend in barakken of waslokalen aangetroffen; door zelfmoord maar waarschijnlijker moord. Maar er zijn ook naargeestige, gewelddadige incidenten tegenover Joodse gevangen bekend. Zo moest gevangene Lambertus Schmidt (# 1277; 1909-?) een zwaar mishandelde jonge Jood ophalen voor het appèl en nadat hij die huilend in een kruiwagen had afgeleverd werd die daar uit geranseld met een geknoopt touw. In een ander geval, wetend dat geschoten werd als men te dicht bij het hek naderde, vroeg een Jood aan een bewaker of hij echt zou schieten, en stapte na een gesnauwde bevestiging en een laatste blik naar de hemel op het hek af. Met het dodelijke salvo had de bewaker 25 gulden en drie dagen verlof verdiend. In weer een ander geval was een halfdood geslagen Jood in een kruiwagen bij het hek gezet; toen die bij kwam en zich moeizaam aan het prikkeldraad trachtte op te trekken schoot een bewaker hem door het hoofd.35

Christoffel Impeta ( # 610; 1884-1967) zag hoe een bewaker twee Joodse mannen achter de ziekenbarak vreselijk mishandelde door ze onder een regen van stokslagen om de twee, drie meter te laten neervallen en snel weer opstaan. De Joodse gevangenen kregen altijd zware straffen op basis van leugenachtige redenen zoals luiheid of verzuim.36

Arie Bom (# 937; 1895-?) beschreef hoe twee ontsnapte jonge Joden (in casu Leon Zadick # 1397, 1922-1942, en Jacques Jacobs # 382, 1924-1942) werden teruggevonden en voor de ogen van de op appèl staande gevangenen werden doodgeslagen. Bewaker Franzka had een Jood de schedel ingeslagen, trof hem vervolgens aan in de ziekenbarak en gaf hem de keuze tussen zichzelf ophangen of doodgeslagen worden; de man stierf kort daarna. Een andere bewaker, de Nederlandse SS’er Keizer bijgenaamd ‘Het Glazen Oog’, sloeg een Jood met een spade waardoor diens arm geamputeerd moest worden en de man stierf.37

Naoorlogs

In 2010 ontving het NMI een email. Daarin beweerde de kleinzoon van een dame op leeftijd, die met Blaauw als secretaresse had gewerkt aan het Haagsch Conservatorium, dat hij rond 1940 gevlucht zou zijn naar een Franstalige kolonie, mogelijk Algerije. Dit moet een foutieve herinnering of een persoonsverwisseling betreffen.38
Onduidelijk is wat met het lichaam van Blaauw is gebeurd. De meeste Joodse lichamen werden door de nazi’s anoniem begraven bij een bosje genaamd Koedriest. Daar zijn na de bevrijding in 1945 lichamen geborgen waarvan er met volstrekt onbetrouwbare middelen (want optisch en zonder DNA) 55 als ‘Jood’ zouden zijn ‘geïdentificeerd’ en 24 als ‘Rus’.39 Men zou verwachten dat Blaauw dus met tenminste 54 Joodse lotgenoten anoniem begraven lag bij Koedriest. In dat geval is hij waarschijnlijk herbegraven op de Joodse begraafplaats aan de Soesterweg te Amersfoort. Een lijst van het Rode Kruis noemt zijn naam maar de status van de lijst is onduidelijk; vermoedelijk betreft het een oorspronkelijke registratie van in Kamp Amersfoort overleden gevangenen. Bij Blaauw staat opgemerkt dat hij ongekleed in een kist was begraven.40
Maar de naam van Blaauw komt niet voor op de provisorische lijst met 47 namen van de nieuwe Joodse Begraafplaats aan de Soesterweg, terwijl die ook nog eens aantoonbaar incompleet en deels niet correct is – onder andere omdat enkele lichamen zijn gecremeerd. Omdat Blaauw gescheiden was en geen kinderen had is de vrees realistisch dat na de oorlog niemand zijn lijk heeft opgevraagd bij de begraafplaats. Hij zou één van de anoniem begraven Joden van de Soesterweg kunnen zijn. Vier kisten met stoffelijke overschotten werden op 23 september 1946 ‘symbolisch’ begraven voor de 55 Joodse slachtoffers die bij Koedriest waren aangetroffen. Op 21 juli 1948 is een monument onthuld ter nagedachtenis aan de 55 in Kamp Amersfoort omgekomen Joodse gevangenen.41

Siegfried Blaauw, begenadigd en veelzijdig concertpianist met een internationale carrière en tevens conservatoriumdirecteur, was een intrigerende man die werkte met topmusici en een groot netwerk had. Hij beperkte zich niet alleen tot klassieke muziek, maar bewoog zich ook in stijlen die minder artistiek aanzien kenden zoals cabaret en operette. Zijn actieve muzikale carrière werd eerst onderbroken door de Eerste Wereldoorlog en vervolgens door zijn overstap naar de bestuurlijke functie van conservatoriumdirecteur. Het grote succes dat hij daar boekte door de enorme toename van aantallen leerlingen zal beëindigd zijn door de roep om accreditatie voor conservatoria, concurrerend met het Koninklijk Conservatorium. De gescheiden en kinderloos gebleven Blaauw is vermoord in Kamp Amersfoort en ligt waarschijnlijk begraven op de nieuwe Joodse Begraafplaats in Amersfoort. Hij is in de vergetelheid geraakt en dat is een onbevredigend gevoel te midden van de ongekende gruwelen van de Holocaust. Siegfried Blaauw verdient absoluut nader onderzoek.

Met dank aan Carine Alders (Universiteit van Amsterdam), Jochem van Dijk (New York, USA), Alexander van Dijkhuizen (Joodse Gemeente Amersfoort), Paula Quint (Nederlands Muziekinstituut, Den Haag) en Martie Severt (Koninklijk Conservatorium, Den Haag).

Bronnen

1 AmArch arch.nr. 5416, inv.nr. 143; StArRdam arch. 494-03, inv. nr. 851-037, 1880, Gezinskaarten Rotterdam, Bissegger – Blecha, 1880-1940, aktenummer 39035; Burg St Rdam arch. 999-06, inv.nr. 1922R; Burg St Rdam arch. 999-09, inv.nr. 1927C, 1927, nr. 1927.3441, folio c118v; Burg St Rdam arch 999-01 1889e.4598 inv.nr. 1889E folio e173; Bev. Reg. Voorburg, arch. 6009-01, inv.nr. 86, 1922-1939; Algemeen Handelsblad (23 februari 1917); Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad (22 oktober 1917); Nederlandsche Staatscourant (25 maart 1937); NMI Knipselmap Siegfried Blaauw

2 Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad (21 april 1903); Utrechtse Courant (23 april 1903); Rotterdamsch Nieuwsblad (25 februari 1908); Nieuwe Haarlemsche Courant (21 oktober 1909); Het Vaderland (25 oktober 1909); Rotterdamsch Nieuwsblad (30 december 1911); Het Vaderland (15 augustus 1916); De Avondpost (7 september 1917); Het Vaderland (7 september 1917); Dagblad van Zuid-Holland en ’s Gravenhage (7 september 1917); De Avondpost (4 mei 1918); Maasbode (17 november 1922); Het Vaderland 55 (26 januari 1923), concert- en tooneelgids

3 Rotterdamsch Weekblad (datum onbekend, 1907)

4 Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad (12 september 1917); De Avondpost (2 september 1925); Delftsche Courant (18 december 1926); De Avondpost (10 april 1929); De Gooi en Eemlander (11 oktober 1930); De Avondpost (15 november 1932); De Avondpost (12 maart 1939); De Tijd (14, 22 en 25 maart 1939); De Maasbode (23 maart 1939)

5 Algemeen Handelsblad (20 september 1917); De Maasbode (25 september 1917); Nieuwe Hoornsche Courant (7 oktober 1924); De Maasbode (7 oktober 24); De Avondpost (14 december 1926)

6 Arnhemsche Courant (16 oktober 1909); Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant (14 december 1911); Algemeen Handelsblad (26 januari 1924); De Maasbode (4 februari 1924); Le Tout Alexandrie (13 maart 1910); Algemeen Handelsblad (7 november 1924); Algemeen Handelsblad (11 januari 1926); De Maasbode (11 oktober 1926); Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant (10 februari 1927); De Avondpost (12 maart 1939); De Avondpost (23 maart 1939); De Avondpost (12 april 1939); Het Vaderland; staat- en letterkundig Nieuwsblad (19 april 1939)

7 Centraal Blad voor Israëlieten in Nederland (26 november 1926)

8 Algemeen Handelsblad (16 oktober 1924); De Telegraaf (25 oktober 1924); Voorwaarts: sociaal Democratisch Dagblad (4 nov 1924)

9 Algemeen Handelsblad (4 februari 1917); De Avondpost (22 oktober 1932)

10 Nieuwe Rotterdamsche Courant (26 oktober 1922); De Maasbode (14 december 1922); Voorwaarts; Sociaal-Democratisch Dagblad (1 februari 1923); De Maasbode (30 november 1923); Delftsche Courant (18 december 1926)

11 De Tijd (13 december 1926); Nieuwe Rotterdamsche Courant (13 december 26); Algemeen Handelsblad (14 december 1926)

12 Het Vaderland (22 april 1909); De Avondpost (20 februari 1910); Stamboul (5 maart 1910); The Levant Herald (5 maart 1910); Egyptian Gazette (15 maart 1910); Journal de Caïro (maart 1910); Osmanischer Lloyd (6 april 1910); Limburger Koerier (12 april 1910); Budapester Journal (november 1910); La Turquie (20 maart 1911); The Levant Herald (6 april 1911); Stamboul (9 april 1911); General Anzeiger (25 maart 1912); Pfalzische Presse (25 maart 1912); Pfälzischer Rundschau (8 mei 1912); Danziger Neue Nachrichten (22 november 1912); Haagsche Courant (4 maart 1922); Nieuwe Rotterdamsche Courant (26 oktober 1926); Het Volk, Dagblad voor de Arbeiderspartij (27 oktober 1926); Algemeen Handelsblad (27 oktober 1926); De Avondpost (24 november 1926); Kölnische Zeitung (6 december 1926); Kölner Tageblatt (7 december 1926); Stadtanzeiger (8 december 1926); Rheinische Volkswacht (9 december 1926); Rheinische Zeitung (10 december 1926)

13 W. Pijper, Het papieren gevaar; verzamelde geschriften (1917-1947); Stoker concerten 21 december 1917, Utrecht (2011), p. 29

14 Rotterdamsch Nieuwsblad (29 aug 1912); Het Nieuws van den Dag (30 augustus 1912); RK Dagblad het Huisgezin (30 augustus 1912); Het Vaderland (24 mei 1914)

15 Nieuwe Rotterdamsche Courant (2 september 1917); De Maasbode (3 september 1917); De Maasbode (16 juli 1919); Rotterdamsch Nieuwsblad (30 april 1925); Algemeen Handelsblad (1 mei 1925)

16 D.J. Balfoort, Het Haags conservatorium (directeur Siegfried Blaauw) in woord en beeld (1927), (z.l.)(z.d.), p. 2-19; Het Vaderland (26 januari 1923); Haagsche Courant (4 september 1923); Caecilia (1923); Haagsche Courant (21 januari 1924); Nieuwe Hoornsche Courant (7 oktober 1924); Algemeen Handelsblad (1 mei 1925); Het Volk (27 oktober 1926); Het Vaderland (2 december 1926); De Avondpost (15 november 1932); De Tijd (14, 22 en 25 maart 1939); Haagsche Courant (19 december 1939); Leeuwarder Courant (27 januari 1965)

17 Delftsche Courant (7 januari 1927); Delft Courant (15 januari 1927) idem

18 De Tijd (11 september 1925); De Avondpost (3 november 1926)

19 De Avondpost (14 september 1925)

20 Het Volk, Dagblad voor de Arbeiderspartij (11 juli 1927)

21 De Maasbode (15 maart 1928)

22 De Avondpost (16 augustus 1928)

23 Het Vaderland (10 april 1929)

24 Algemeen Handelsblad (26 september 1929); Zutphense Courant (28 september 1929)

25 www.theaterencyclopedie.nl/wiki/Fritz_Hirsch_Operette

26 De Avondpost (24 februari 1931); Haagsche Courant (28 februari 1938); Algemeen Handelsblad (27 maart 1938)

27 Dagblad van Noord-Brabant (1 maart 1928); Het Vaderland; staat- en letterkundig Nieuwsblad (25 juni 1931)

28 De Avondpost (9 september 1932); Haagsche Courant (12 oktober 1932); Nieuw Israëlitisch Weekblad (14 oktober 1932)

29 De Avondpost (14 augustus 1934)

30 Arnhemsche Courant (18 juli 1935); De Zuid-Willemsvaart (19 juli 1935)

31 De Avondpost (22 februari 1927); De Nederlander (28 maart 1939); De Maasbode (28 maart 1939)

32 A. Kluveld, Het vergeten verhaal van de Joodse gevangenen van Kamp Amersfoort, Zandvoort (2024), p. 9-180

33 ArArch 1487662, 1487663, 1487664

34 T. de Booij in: A. Timmerman, “Machteloos?” Ooggetuigen van de Jodenvervolging, Amsterdam (2007), p. 225; E.J. Bulten, Aaltense gijzelaars, Aalten (1970), p. 38; J.H. van Doorne, Gijzelaars achter prikkeldraad; in het concentratiekamp te Amersfoort en Vught, Anna Paulowna (1990), p. 66-67; D. Folmer, Dagboek uit Kamp Amersfoort, Zutphen (2014), p. 4-283; B. Goedemans, Hinten Stacheldraht, Hilversum (1944), p. 8; G.H. van den Hengel, Een memorie van het kampleven in Scheveningen en Amersfoort, van 8 november 1942 tot 14 januari 1943, Driebergen (1992), p. 8; C. Impeta, Kampleed en hemelzegen, Groningen (1946), p. 29-30; J. Lemaire, Mannen in zebra, Zwaag (2020), p. 80; H.L. Lieve, H. ter Steege, Predikant achter prikkeldraad, Nijkerk (1946), p. 55; E.W. van Maanen, “Dagboeknotities gemaakt tijdens mijn verblijf in Duitsland; eind 1944 – begin 1945”, (z.d.)(z.l.), p. 104-105; M. Maartensz, Een poging tot het neerschrijven van enige hoofdlijnen uit de jaren 40 – 45 en m’n huidige toestand, (1966/2009), p. 3; Verklaring P. Mourik, Opgepakt in opdracht van J. Boder, ’s Hertogenbosch, (20 november 1944); G. Pit (2021), p. 52; A.Th.W. van den Oord, “Gestolen jeugd”, In Brabant; tijdschrift voor Brabants heem en erfgoed, jrg. 3, nr. 2 (april 2012); G. Pit, Ons vonnis was in feite levenslang, Zwolle (2021), p. 60; J. Roorda, Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort ( 1942?), p. 35-36 (NMKA-2016-0001); H. Sintniklaas, De SS-frontarbeiders van kamp Amersfoort, Kampen (1999), p. 28-29; H. Stoelinga, Tussen prikkeldraad en mitrailleurs, Amsterdam (1947), p. 201; A. Wijtenburg, ‘No choice’, ‘Geen keus’, West McKay (2002), p. 154-155; 172

35 L.W. Schmidt, Modern bagno, Rotterdam (1945), p. 27-33

36 C. Impeta, Kampleed en hemelzegen, Groningen (1946), p. 15-16; 27-31

37 A. Bom, Arie Bom, de Haagse “terrorist”, doet verslag van zijn ervaringen in het “Oranjehotel”, kamp Amersfoort en kamp Vught, 1942-1943, Amsterdam (z.j.), p. 17-26

38 NMI Knipselmap Siegfried Blaauw

39 F.H. van Dijk, “Massagraf 77 Sovjet-krijgsgevangenen”, Kroniek 25/4 (2023), p. 16-17

40 NIOD NRK 2.19.315 nr. 321

41 Dagblad voor Amersfoort (24 september 1946); Dagblad voor Amersfoort (6 juli 1948); Dagblad voor Amersfoort (22 juli 1948)

Ga naar de inhoud