Door Floris van Dijk
Met speciale dank aan mr. Matthias Borgers (vice-voorzitter Hoge Raad der Nederlanden)
In de microkosmos van Kamp Amersfoort, waar absolute rechteloosheid heerste, was de sociale achtergrond van gevangenen zeer divers. Rijke adel zat opgesloten met straatarme zwervers, hoogleraren met analfabeten, landarbeiders met ondernemers, politiemannen met beroepscriminelen, voormalig militairen met communisten en ga zo maar door. Ook de geografische herkomst was zeer uiteenlopend met niet minder dan 35 moderne nationaliteiten. Het kampsysteem van de nazi’s met begunstiging van gevangenen met toezichthoudende functies bevorderde groepsvorming, onaangepast gedrag, misgunnen en onderlinge rivaliteit. Toch waren gevangenen, met uitzondering van de Joodse gevangenen die structureel achtergesteld werden in het kampsysteem, gelijker aan elkaar dan in de vooroorlogse samenleving. Het roept de vraag op of zich te midden van die rechteloosheid ook mensen bevonden met gespecialiseerde kennis van wetten, regels en jurisprudentie.
Rechtspraak tijdens Tweede Wereldoorlog
Met de invoering van de bezettingsstructuur tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de rechtsstaat buiten werking gesteld. Hitler koos voor een niet-militair bestuur in Nederland, in tegenstelling tot België en Frankrijk. Dit was ingegeven door onder andere het politieke vacuüm dat het plotselinge vertrek van de Nederlandse koningin en kabinet had veroorzaakt en de beoogde onderbrenging van Nederland in een politieke en territoriale herindeling van Europa, die onder civiel bestuur beter zou kunnen slagen. Onder verantwoordelijkheid van de Rijkscommissaris van het bezette Nederland werden vier Generalkommissariate ingericht: für das Sicherheitswesen, für Verwaltung und Justiz, für Finanz und Wirtschaft en zur besonderen Verwendung.[1]
Tijdens de bezetting bleef de reguliere rechtspraak voor het merendeel in stand. De positie van de rechter in oorlogstijd werd daarmee ingewikkeld. Op 5 oktober 1940 werd de zogeheten Ariërverklaring verzonden aan ongeveer tweehonderdduizend ambtenaren en onderwijzers. De geadresseerden moesten daarin verklaren niet van Joodse afkomst te zijn. Ondanks het discriminerende karakter tekenden De Hoge Raad en de ambtelijke top geen bezwaar aan. Protesten tegen de anti-Joodse maatregelen kwamen wel uit academische hoek. In Utrecht had hoogleraar plantkunde Victor Koningsberger (1895-1966) op 25 november 1940 een protestrede gehouden en brak in Delft diezelfde dag een staking uit onder studenten. Een dag later hield de Leidse hoogleraar rechtsgeleerdheid Rudolph Cleveringa (1894-1980) zijn beroemde lezing, met eveneens een staking tot gevolg. Hoogleraren van de universiteiten in Amsterdam en Wageningen protesteerden tijdens colleges tegen het ontslag van de Joodse docenten. Het curatorium van de Vrije Universiteit dwong hoogleraar geschiedenis Aart van Schelven (1880-1954) zijn lidmaatschap van het Nationaal Front op te zeggen. Ondanks deze protesten werden ongeveer 2.500 Joden op basis van de Ariërverklaring ontslagen, waarvan 28 Joodse rechters en hun plaatsvervangers. Diezelfde Hoge Raad bleef opnieuw oorverdovend stil toen hun eigen voorzitter Lodewijk Visser na een schorsing op 1 maart 1941 door de nazi’s uit zijn functie werd gezet.[2]
Een arrest van de Hoge Raad en één van het Hof Leeuwarden vestigden de aandacht op de positie van rechters in oorlogstijd. De Hoge Raad werd om een oordeel gevraagd na de veroordeling van een vishandelaar door een speciaal ingestelde economische strafrechter. De verdachte had cassatieberoep aangetekend bij de Hoge Raad tegen zijn veroordeling door het gerechtshof. De Hoge Raad oordeelde dat dit beroep niet gegrond was, waarmee de veroordeling onherroepelijk werd. Het cassatieberoep berustte op de opvatting dat de regeling die door de bezetter was afgekondigd voor de beoordeling van economische strafzaken in strijd was met het Landoorlogsreglement (LOR), waarvan artikel 43 de basis vormde van het bezettingsrecht. De vraag was dus of de veroordeling tot stand was gekomen op grond van een geldige regelgeving. De Hoge Raad oordeelde op 12 januari 1943 dat de rechter niet bevoegd was voor deze toets aan artikel 43 LOR.[3]
Dan twee andere arresten die de nazi’s onwelgevallig waren. Op 25 februari 1943 deed het Hof in Leeuwarden een opmerkelijke uitspraak. Het Hof oordeelde expliciet tegen fysieke bestraffingen in het Kamp Erika te Ommen voor een van diefstal verdachte man, van wie de straf van negen maanden terug gebracht werd tot de vier in voorlopige hechtenis. In een tweede arrest van 18 maart 1943 werd een gevangenisstraf van zes maanden teruggebracht tot zes weken. De twee verantwoordelijke raadsheren, F.F. Viehoff (1881-1951) en J. Wedeven (1884-1953), werden daarop ontslagen maar vervolgens financieel ondersteund door Amsterdamse collega’s. Ondanks de schending van in de Grondwet vastgelegde uitgangspunten, zoals een onafhankelijke rechtspraak, en enkele protesten werkten de meeste rechters door, maar lijkt de rechtspraak, ook ondanks NSB-gezinde rechters, tijdens de oorlog in de uitspraken niet gezwicht te zijn voor onderbouwingen gestoeld op nationaalsocialistisch gedachtegoed.[4]
54 juristen
Bij het verlaten van Kamp Amersfoort in april 1945 hebben de nazi’s de originele administratie in brand gestoken. Van de 47.000 gevangenen die in het concentratiekamp gevangen hebben gezeten zijn er door onderzoek van Nationaal Monument Kamp Amersfoort nu 36.364 bekend met naam en toenaam. Onder hen bevonden zich 54 professionele juristen, waarvan weer 35 advocaat en procureur waren en 8 rechter.
De redenen voor aanhouding en opsluiting van deze juristen liepen uiteen. De advocaten Ernst Goldstein (gevangene nummer 2759; 1906-1945), Arthur Gumbert (# 1245; 1877-1942) en Ernest Kan (# onb.; 1911-1942) en rechter Joseph Klestadt (# 219; 1899-1945) waren vanwege hun Joodse afkomst opgepakt. Op 3 maart 1943 werd Michiel Taytelbaum (# onb.; 1870-1946) gearresteerd vanwege het niet dragen van de Jodenster; eerder was hij vice-voorzitter van het Gerechtshof in Nederlands Indië geweest. Anderen waren betrokken bij vormen van verzet, zoals de advocaten Gerardus Houtzager (# onb.; 1920-1945), Arthur Meerwaldt (# onb.; 1918-1945) en Heinrich Vrindt (# onb.; 1913-1942) en rechter Samuel de Lange (# 193; 1915-1945). De Joodse advocaat Wolf van den Berg (# 50; 1908-1942) werd op 13 december 1941 gearresteerd bij een mislukte poging naar Engeland te komen, terwijl hij documenten voor de Nederlandse regering bij zich had.
Een enkeling belandde in Kamp Amersfoort als gijzelaar, zoals de rechters François Dozy (# onb.; 1910-?) en baron Johan van Harinxma Thoe Slooten (# onb.; 1898-1950). Beide maakten deel uit van de groep van 85 prominente Amsterdamse en Aerdenhoutse burgers, die op 30 januari 1942 werden opgesloten en op 20 april 1942 weer vrij werden gelaten.
Andere gevangenen met een juridische achtergrond waren onder andere Floris Bakels (# 918; 1915-2000), die na de oorlog bekend zou worden vanwege zijn boeken over de concentratiekampen die hij had overleefd. Alexander de Leeuw (# 294; 1899-1942) was communist en fungeerde in Kamp Amersfoort als tolk voor de 100 Sovjet-krijgsgevangenen. Hendrikus Zanoli (# 323; 1896-1945) was anarcho-syndicalist en had een rechtskundige praktijk in Laren NH.
Er is voor gekozen om enkele van de gevangen juristen nader te belichten. Vijf waren tot hun arrestatie juristen van naam, en voor één zou zijn gevangenschap in Kamp Amersfoort bepalend worden voor zijn latere studiekeuze en carrière als hoogleraar rechtsgeleerdheid.
Emanuel Benjamin Asscher is vermoord in Kamp Amersfoort. De Joodse Asscher werd geboren op 13 juni 1891, studeerde op 26 januari 1917 af als jurist aan de Universiteit van Amsterdam en promoveerde in mei datzelfde jaar. Hij diende in het 7eRegiment Infanterie (reserve kader). Hij trouwde op 12 juni 1928 met Anna Polak en het stel kreeg drie dochters: Hadassah, Ella en Anna Elisabeth (Anneliesje). Het gezin woonde aan de Keizersgracht 723 hs in Amsterdam en verhuisde op 19 augustus 1943 naar de Tugelaweg 135 I en II. Hij was een kundig jurist en werd omschreven als
“het sieraad van de Amsterdamse balie …, toonbeeld van bekwaamheid en integriteit, van confraterniteit en plichtsbetrachting“.[5]
Het is onduidelijk op welke datum Asscher arriveerde in Kamp Amersfoort. De reden voor zijn arrestatie was dat hij een klein deel van zijn vermogen niet zou hebben aangemeld. Hij kreeg gevangene nummer 151. Uit verschillende getuigenverklaringen blijkt dat de aan diabetes lijdende Asscher tezamen met medegevangenen Leon Aronson (# 5; 1905-1943), Daniël Content (# 156; 1878-1943), Jacques van Kinsbergen (# onb.; 1904-1943) en Willem Perels (# 73; 1908-1943) het mikpunt was van zware mishandelingen door de Nederlandse bewakers Johannes Gombert, Willem van der Neut, Johannes van Roessel en Theodoor Wijnands. Als gevolg daarvan zijn deze vijf Joodse gevangenen allen bezweken; Asscher in de zeer vroege morgen van 30 augustus 1943.[6]
Na de bevrijding zijn nog in 1945 lichamen bij een bosje bij Koedriest geborgen, waarvan er met volstrekt onbetrouwbare middelen (want uitsluitend optisch en zonder nabestaanden DNA) 55 als ‘Jood’ zouden zijn ‘geïdentificeerd’ en 24 als ‘Rus’. De naam van Asscher staat op een lijst van slachtoffers die zijn herbegraven op de Joodse Begraafplaats aan de Soesterweg in Amersfoort. Vier kisten met stoffelijke overschotten werden op 23 september 1946 ‘symbolisch’ begraven voor de 55 als Jood aangemerkte slachtoffers. Op 21 juli 1948 is een monument onthuld ter nagedachtenis aan de 55 in Kamp Amersfoort omgekomen Joodse gevangenen.[7] De echtgenote en drie dochters van Asscher zijn allen op 11 februari 1944 in Auschwitz vermoord.
Adriaan Baltus Bommezijn werd op 15 februari 1882 in Geertruidenberg geboren als zoon van een predikant. Als kind kreeg hij de mazelen en difterie. Na het gymnasium studeerde hij vanaf 1902 rechten in Leiden en promoveerde in 1909 op “Het onderzoek naar het vaderschap.” Daarnaast vond hij tijd om te roeien bij Njord en te voetballen bij Quick Nijmegen en de veteranen van Ajax. In 1910 behaalde Bommezijn zijn bestuursexamen voor Nederlands-Indië en vertrok daar heen. Hij trouwde in 1918 met de toen 27-jarige weduwe Jeanne de Rochemont (1891-1958) en zij kregen vier zonen, waarvan alleen Johan en Willem bij de geboorte in leven bleven. Bommezijn werd landsadvocaat in Semarang en kreeg een aanstelling als arrondissementsrechter in Den Haag. Zodoende keerde de familie in 1924 terug naar Nederland. Blijkens meerdere advertenties in kranten trad Bommezijn op als rechter-commissaris in verschillende faillissementszaken.
Het echtpaar raakte betrokken bij de verzetsorganisatie De Ordedienst, waarbij zij zaken financierden en hun woning beschikbaar stelden aan verzetsmensen. Op 13 maart 1942 werd het echtpaar Bommezijn gearresteerd vanwege hulpverlening aan onderduikers. Via het Oranjehotel belandde hij op 6 november 1942 in Kamp Amersfoort en kreeg gevangene nummer 1947. Op 31 januari 1943 werd hij met een groot transport naar Kamp Vught gestuurd. Op 11 maart 1943 werd hij overgeplaatst naar Kamp Haaren en op 14 april weer terug naar Kamp Vught. In één van deze kampen liep hij longontsteking op. Op 7 oktober 1943 keerde hij terug in Kamp Amersfoort om op 25 oktober op transport te worden gezet naar Natzweiler, gelegen in de Franse Elzas. Bij binnenkomst werden zijn schamele bezittingen genoteerd, zoals een portemonnee, een schaartje, een bril, een paar sokophouders en twee zakdoeken. Zijn gezondheid ging achteruit, dat geweten werd aan zijn leeftijd (‘Altersschwaeche’) en op 27 januari 1944 kreeg hij een inenting tegen dysenterie.
Vanwege de naderende Amerikaanse legers werd het hoofdkamp van Natzweiler in september 1944 ontruimd. Daarvan is bekend dat de Nederlandse gevangenen samen met de Noren te voet naar Rothau liepen en ’s nachts per trein naar Dachau reden. Op een kampkaartje van Bommezijn staat ‘Ottobrunn’ bijgeschreven, een buitenkamp van Dachau ten zuid-oosten van München; zijn binnenkomst staat gestempeld op 6 september 1944 en weer uit het kamp op 19 september 1944. Het gerucht ging rond dat het verblijf in Ottobrunn een vergissing was en Bommezijn belandde met een volgend transport in Dautmergen, een buitenkamp van Natzweiler, waar hij dagen lang op blote voeten liep omdat zijn schoenen waren gestolen. Het volgende kamp was Vaihingen Enz ten noordwesten van Stuttgart, waar hij met een ziekentransport van 250 mannen waar onder 22 Nederlanders op 21 november 1944 binnenkwam. Daar lag hij steeds verder verzwakkend op zijn brits, in de ijzige kou. Bommezijn vroeg op 25 januari 1945 om een eind aan zijn leven te maken. Na weken van pijn trad de dood op 30 januari in, nadat hij nog vrij helder had gezegd:
“Ik voel me slap. Zeg aan mijn vrouw dat ik haar bedank voor het prettige huwelijksleven dat ik met haar heb gehad”
en
“Alles komt terecht.”
Zes medegevangenen probeerden hem bij te staan in zijn laatste minuten.[8]
Op 15 maart 1945 werd een briefje opgemaakt aan de Adolf Hitlerstrasse 47 te Uelzen, waar de Nederlandse Sicherheitsdienst heen verhuist was, gericht aan de kampleiding van Kamp Natzweiler die in Guttenbach in Baden-Württenberg gevestigd was. Gemeld werd dat Nacht und Nebel-gevangene Adriaan Bommezijn was overleden aan Herzmuschelschwäche(“hartfalen”). In deze allerlaatste weken van de oorlog luidde de laatste zin:
“Eine Verständigung der Angehörigen darf unter keine Umständen erfolgen” (“Communicatie met familieleden mag onder geen voorwaarde plaatsvinden”).[9]
De echtgenote van Bommezijn, Jeanne, overleefde Ravensbrück waar zij op 3 april 1943 aankwam en in april 1945 naar Zweden werd getransporteerd. Hun beide zonen waren overleden: Hans als marineman in januari 1945 aan bloedvergiftiging en Willem in maart 1945 in Bützow nadat hij was gearresteerd bij de Frans-Zwitserse grens, mogelijk in een poging Engeland te bereiken. Na identificatie van de overblijfselen in een massagraf in Vaihingen Enz werd Adri Bommezijn in 1954 herbegraven op Nationaal Ereveld Loenen, waar hij rust in vak E/434.[10]
Frits Leonard Polak werd op 27 februari 1913 geboren in Winschoten als zoon van een Joodse kassier en de voorzitster van de lokale Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen. Hij had een jongere zus, Annie. Vrijwel zeker speelde hij piano, want in februari 1932 trad een Frits Polak uit Winschoten op in hotel Wissemann als één van de leerlingen van lerares Frijlink-Zuidema. Na zijn rechtenstudie werd hij advocaat en procureur en vervolgens rechter. Sinds 1938 reed Polak in een Skoda met kenteken A 28741, die op 1 april 1942 gevorderd werd. Hij nam als één van de bijna vierduizend toertochtschaatsers deel aan de achtste Elfstedentocht, die dat jaar in omgekeerde volgorde werd gereden, dus naar het zuiden via Sneek als eerste stad en als laatste Dokkum. Hij overnachtte daarvoor op 22 januari 1942 in Leeuwarden bij de familie Meijer, wat aangeeft dat Polak de finish waarschijnlijk zal hebben gehaald. Twee dagen later stuurde hij hen een bedankbrief.[11]
Op 7 juli 1942 arriveerde Polak in Kamp Amersfoort en kreeg nummer 586 toegewezen. Als strafgeval, dat ongetwijfeld verband hield met de Schutzhaft (een soort voorlopige hechtenis zonder enig recht voor de verdachte) die hem was opgelegd, werd hij op 24 augustus 1942 met een transport met 45 andere Joden naar Mauthausen gestuurd. Onder hen bevonden zich ook de advocaten Leonard Denekamp (# 523; 1875-1942) en Ernst Visser (# 156; 1901-1942). In dit afschuwelijke kamp werd zware dwangarbeid verricht, werden talloze gevangenen door SS’ers doodgeslagen of opgehangen en probeerden velen wanhopig dat lot voor te zijn door hand in hand de steile steengroeve in te springen. In Mauthausen is Polak op 4 september 1942 vermoord: overlevende Bernard Slier (# 455; 1923-?) getuigde na de oorlog dat een poging zichzelf in een rioolkanaal te verdrinken mislukte, waarbij hij een been brak en vervolgens door een SS’er werd doodgeschoten.[12]
Bijna acht maanden na zijn bedankbrief kreeg de familie Meijer weer een brief, nu van de ouders Polak. Dit keer werden de Leeuwardenaren op de hoogte gesteld van het overlijden van hun zoon Frits. Van de Joodse gemeenschap in Winschoten, bestaande uit 430 personen, zou slechts 12,1 % de oorlog overleven.[13] Zowel de ouders als de zus van Frits Polak zijn vermoord in de Holocaust.
Ernst Lodewijk Visser was advocaat en procureur van Joodse afkomst. Zijn vader was Lodewijk Ernst Visser (1871-1942), die na een carrière als advocaat, specialist handelsrecht, lector volkenrecht en rechter in Rotterdam in 1939 president van de Hoge Raad der Nederlanden werd. Voor de oorlog zette hij zich in voor Joodse belangenorganisaties en tijdens de oorlog werd hij na een schorsing op 1 maart 1941 door de nazi’s ontslagen bij de Hoge Raad. Het bleef oorverdovend stil onder de raadsheren. Visser wees elke samenwerking met de bezetter af en kwam als voorzitter van de Joodse Coördinatie Commissie in conflict met de in februari 1941 opgerichte Joodsche Raad. Hij overleed op 17 februari 1942 aan een hersenbloeding.[14]
Zijn zoon Ernst Lodewijk werd geboren op 14 augustus 1901 in Den Haag en studeerde rechten in Leiden. In 1928 trouwde hij met Jacoba Moll maar het stel scheidde in 1932. Hij werd een bekende figuur is Haagse juridische kringen. In een brief aan zijn zuster d.d. 3 augustus 1941 meldde hij een ziekenhuisopname naar aanleiding van maagklachten.[15]
Visser was reserve-officier en actief in de verzetsorganisatie Het Parool. Op 1 juli 1942 werd hij in Den Haag gearresteerd omdat hij weigerde de verplichte Jodenster op zijn kleding te naaien. Via het Oranjehotel belandde hij in Kamp Amersfoort en kreeg gevangene nummer 156. Op 19 juli 1942 schreef Visser vanuit Barak IIB nog een brief aan zijn moeder, waarin vanwege de censuur, zoals te verwachten was, weinig concrete informatie staat. Op 24 augustus 1942 werd hij als Joods strafgeval op transport gezet naar Mauthausen. Overlevende Bernard Slier (# 455; 1923-?) getuigde na de oorlog dat Visser na een mislukte poging tot zelfmoord met chloorkalk op 2 september 1942 tegen een stroomdraad aanliep. De familie werd meegedeeld dat hij tijdens een vluchtpoging was neergeschoten.[16]
Carel Zadoks is in Kamp Amersfoort vermoord. Hij werd geboren op 28 september 1902 in Amsterdam als telg van een oud geslacht uit de hoofdstad. Van 1920 tot 1925 studeerde hij rechten aan de Universiteit van Amsterdam en promoveerde in 1931 aldaar op het “Verbod van getuigenbewijs tegen den inhoud der schriftelijk acte (artikel 1934 van het Burgerlijk Wetboek)”, in 175 pagina’s. Hij trouwde op 27 april 1928 met Annie Josephus Jitta (1904-2000) en het stel kreeg op 6 februari 1929 een zoon, Jan Carel. In mei 1933 werden moeder en zoon op Het Rokin aangereden door tram lijn 25, dat ondanks serieus letsel goed afliep. De echtgenote van Zadoks werkte in 1940 en 1941 werkte zij onder de schuilnaam Annie van Vuuren bij het Koloniaal Museum en zou na de oorlog als hoogleraar een bekend klassiek archeologe en kunsthistorica worden. Carel Zadoks trad in veel zaken op als curator, hield kantoor aan de Leidschekade 75 te Amsterdam en was in goede doen want bezat tenminste drie panden, waar onder een statige woning aan de Bovenkerkerkade 11 in Amstelveen. Op 29 mei 1942 werd hij opgepakt en werd een contactverbod afgekondigd met personen met de namen Doorenspleet, Friedberger en Knettenbelt.[17]
Het is onbekend op welke datum Zadoks arriveerde in Kamp Amersfoort. Hij kreeg gevangene nummer 1877. Blijkens talloze naoorlogse getuigenissen van gevangenen werden Joodse medegevangenen in de tweede helft van 1942 op beestachtige wijze mishandeld. Op 7 november 1942 om 12:30 uur zou Zadoks bij een poging te vluchten zijn doodgeschoten. Medegevangene Fritz Ullmann verklaarde hoe hij in het Huis van Bewaring in Amsterdam een advocaat uit de hoofdstad leerde kennen, die zichzelf erg deftig vond en een leren koffertje met echte Engelse zeep bij zich had. Later was hij in Kamp Amersfoort ooggetuige hoe deze man werd doodgeschoten omdat hij te dicht bij het hek kwam; waarschijnlijk was dit de altijd goedverzorgde Zadoks.[18]
Het lichaam van Zadoks is in Velsen gecremeerd. Zijn as is verdwenen. Na zijn arrestatie werd zijn woning in beslag genomen en uiteindelijk als ambtswoning verkocht aan NSB-burgemeester Samuel Westendorff. De gemeente voerde meteen een kostbare renovatie van het pand, inclusief aanleg van de tuin, uit à raison van bijna elfduizend gulden. De echtgenote van Zadoks had de oorlog overleefd en werd door het Nederland Beheers Instituut (NBI) aangesteld als bewindvoerder. In 1949 werd een schikking getroffen, maar de renovatie werd onderwerp van juridisch getouwtrek (vermeende waardevermeerdering) tussen mevrouw Zadoks, de gemeente, de voormalige burgemeester en de eerste oorlogskoper van het pand. Die laatste twee trokken in 1955 aan het kortste eind en moesten de kosten betalen. Op het gedenkteken van kunstenaarssociëteit De Kring in het Kleine Gartmanplantsoen te Amsterdam, gewijd aan het oorlogsverleden van bepaalde leden van het culturele genootschap, staat “Carel Zadocks” vermeld.[19]
Voor een Rotterdamse jongeman zou zijn gevangenschap in Kamp Amersfoort allesbepalend worden voor zijn carrièrekeuze. Herman Bianchi werd een beroemd rechtsgeleerde vanwege zijn radicale en omstreden opvattingen. Hij werd op 14 december 1924 geboren in Rotterdam. In mei 1944 werd hij in Amsterdam opgepakt na een razzia als vergelding voor een neergeschoten Duitser. Hij kwam op 17 augustus 1944 aan in Kamp Amersfoort, kreeg gevangene 5377 nummer en de wreedheid van de bewakers werd een levenslang trauma voor hem. Hij werd betrapt op een gesprek met een gevangene bij wie dat verboden was. Voor straf moest hij van een SS’er ‘pompen’, urenlang kniebuigingen in de Rozentuin maken tot je bezweek, maar dat weigerde hij en dat bleef tot zijn grote verbazing zonder gevolgen. Bianchi kreeg een nierziekte en behoorde tot een groep van twaalf gevangenen die op aandringen van het Zweedse Rode Kruis vrijgelaten werden. Op 17 oktober 1944 werd de groep per auto naar Den Haag gebracht om aan te sterken en daarna liep Bianchi naar huis, waar zijn moeder flauwviel bij het weerzien van haar vermagerde zoon.
Na de oorlog werd het denken van Bianchi beïnvloed door christen-socialistische zomerkampen die hij bezocht en enkele bekende mensen waar hij mee discussieerde, zoals kunstschilder Dolf Henkes, neerlandicus Piet Meertens, schrijver Jef Last en schrijfster Henriëtte Roland Holst. Hij studeerde Nederlands, geschiedenis en rechten. Bianchi werd een volgeling van professor Isaäc Diepenhorst (1916-2004) en promoveerde bij hem in 1956 op de definitie van criminologie; hij liet zich scherp uit over het ontbreken van het begrip van ‘de zonde’ in het strafrecht, miste filosofische grondvesten en vond dat oorlogsmisdaden en witteboordencriminaliteit te weinig bestraft werden. Als hoogleraar criminologie aan de Vrije Universiteit verzette hij zich tegen het strafrecht en het gevangenissysteem omdat de strafrechtpleging de verdachte niet als gelijkwaardig zag en gevangenissen eerder een leerschool voor jonge criminelen waren. Voor gerechtigheid zou het niet om schuld, maar om wederkerigheid moeten gaan. Daarmee was Bianchi één van de wegbereiders van het zogeheten herstelrecht waarbij, net als bij Noord-Amerikaanse Indianen die hij had bestudeerd, dader en slachtoffer tot een vergelijk moesten zien te komen door erkenning en vergeving. Zijn standpunten over hervorming en afschaffing van het strafrecht leidden tot debatten met criminologen zoals Catharina Dessaur (1931-2002), Louk Hulsman (1923-2009), Willem Nagel (1910-1983) en Koos van Weringh (1934). Hij wijdde zich ook aan romans, mystiek en vrijmetselarij. Zijn homoseksualiteit verhield zich moeizaam met zijn eigen geloofsovertuiging. Bianchi overleed op 30 december 2015.[20]
Bronnen
[1] F. Boterman, Duitse daders; de Jodenvervolging en de nazificatie van Nederland (1940-1945), Amsterdam (2015), p. 52-62; P. Romijn, Burgemeesters in oorlogstijd; besturen onder Duitse bezetting, Amsterdam (2011), p. 130-138
[2] W. Otterspeer, Het horzelnest; de Leidse universiteit in oorlogstijd, Amsterdam (2019), p. 192-231; K. Schuyt. R.P. Cleveringa; recht, onrecht en de vlam der gerechtigheid, Amsterdam (2019), p. 179-180; F. Broeyer, Het Utrechtse universitaire verzet. Heb je Kafka gelezen?, Utrecht (2014), p. 179-180; G. Zondergeld, Geen duimbreed?! De Vrije Universiteit tijdens de Duitse bezetting, Zoetermeer (2005), p. 57-248; A.J. van der Leeuw, “De universiteiten en hogescholen”, in: J.J. Bolhuis, C.D.J. Brandt, H.M. van Randwijk, B.C. Slotemaker (ed.), Onderdrukking en verzet; Nederland in oorlogstijd, deel III, Arnhem (1949), p. 301-337
[3] ECLI:NL:HR:1942:244; D. Venema, “Het Toetsingsarrest”, Aers Aequi 0846 (2009), p. 846-848
[4] ECLI:NL:GHLEE:1943:22; C.J.H. Jansen, “De opstelling van de Nederlandse rechters en raadsheren tijdens de bezetting”, Trema 3 (2018), www.trema.nvvr.org; C.H.J. Jansen, D. Venema, De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog; recht en rechtsbeoefening in de jaren 1930-1950, Amsterdam (2012), p. 81-225; H.L.C. Hermans, Om des gewetens wille; de geschiedenis van een arrest in oorlogstijd, (2003), p. 5-224
[5] J. Presser, Ondergang; de vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945, Deel I, Den Haag (1965), p. 435; GA arch.nr. 5182, inv.nr. 4392; GA arch.nr. 30238, inv.nr. 21; GA bev.reg. arch.nr. 5000, inv.nr. 1553; Het Joodsche Weekblad (15 januari 1943)
[6] J. Presser, Ondergang; de vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945, Deel I, Den Haag (1965), p. 435; PV van aangifte terzake wangedrag jegens gevangenen van het P.D. A. (concentratiekamp) te Amersfoort, gedurende de Duitsche bezetting gepleegd door den Scharführer van der Neut, voormalig lid van de bewaking (13 december 1945); PV BOOM 131 contra Van Roessel (20 augustus 1947); JRK 52187; Diensttagebuch
[7] F.H. van Dijk, “Massagraf 77 Sovjet-krijgsgevangenen”, Kroniek 25/4 (2023), p. 16-17; Dagblad voor Amersfoort (24 september 1946); Dagblad voor Amersfoort (6 juli 1948); Dagblad voor Amersfoort (22 juli 1948); NIOD NRK 2.19.315 nr. 321
[8] A. Baars-Schuyt, Wat men nooit meer vergeten kan; het kampervaringsverhaal van Jeanne Bommezijn-de Rochemont, Rotterdam (2024), p. 15-22; F.B. Bakels, Terug uit Nacht und Nebel; mijn verhaal uit acht Duitse gevangenissen en concentratiekampen, (2016), p.221-367; D. Bamberg, Dossier NN; Nacht und Nebel, Weesp (1985), p. 160-169; De Morgen (12 ); De Tijd Godsdienstig Staatkundig Dagblad (2 juli 1927); Algemeen Handelsblad (16 augustus 1926); Haagse Courant (25 juli 1925); ArArch doc ID 340591; 340592; 3150658; 3150659; 3150660; 3150661; 3150662; 3150663; 3150664; 128452162; 130432257; ArArch ref.code 01010607 031; 4316787
[9] ArArch DocID 3150665
[10] A. Baars-Schuyt (2024), p. 23-52; ArArch Doc ID 3769440; 3769465; 3769485; 129641583; 130264858
[11] G.S. Koeman-Poel, Een synagoge op het kruispunt van de winden (De Joden van Winschoten) 1750-1942, Winschoten (2002), p. 158, 218; Nieuwsblad van het Noorden (22 februari 1932); Winschoter Courant (2 maart 1913); Nieuwsblad van het Noorden (28 februari 1913); Algemeen Handelsblad (28 februari 1913); www.tresoar.nl/vertellen/verhalen/60b4a6e09a795124e6d79cc6; www.groningerkentekens.nl/kentekens/kenteken/A28741;
[12] G. Post, Laat varen alle hoop; Nederlandse gevangenen in Mauthausen, Amsterdam (2025), p. 135; M.T. Croes, P.J.R. Tammes, ‘Gif laten wij niet voortbestaan’, Groningen (2004), p. 39, 577; Overlijdensregister Gemeente Winschoten arch.nr.2109 aktenr. 87 (1948); NA arch.nr. 2.19.255.01 inv.nr. 119493A; ArArch DocID 1694607; 1694608; 1694609; 67534; 67535; ref code 3260018; Het Joodsche Weekblad (18 september 1942)
[13] www.tresoar.nl/vertellen/verhalen/60b4a6e09a795124e6d79cc6
[14] C. Jansen, “Lodewijk Ernst Visser”, Aers Aequi (2022), p. 84-85; C. Glaudemans, “Mr. Dr. L.E. Visser”, (2015), www.joodserfgoeddenhaag.nl/mr-dr-l-e-visser-1871-1942
[15] HGA arch. 0335-01, inv.nr. 442, akte 3836; HGA arch. 0354-01, inv.nr. 1831 en 1833; HGA arch. 6009-01, inv.nr. 143; HGA arch. 0335-01, inv.nr. 1010, aktenr. B1647; Collectie Joods Historisch Museum DO11454 en DOO2980
[16] G. Post, Laat varen alle hoop; Nederlandse gevangenen in Mauthausen, Amsterdam (2025), p. 122, 133-135; Collectie Joods Historisch Museum DO11614, DO11474 en DO11590
[17] Nederlandse Staatcourant nr. 214 (2 november 1950), Bijvoegsel vermisten p. 8; RtSA, GemPol Rdam, aktenr. 765A (29 mei 1942); NHA ; StAA arch.nr. 617 inv.nr. 4342; StAA Militieregisters arch.nr. 5182, inv.nr. 4443; 30654 Archief van de Familie Josephus Jitta; Algemeen Handelsblad (6 april 1938); Algemeen Handelsblad (24 maart 1938); Gooi en Eemlander (19 februari 1934); Christelijk Dagblad voor Nederland de Amsterdammer (26 mei 1933); Algemeen Handelsblad (26 september 1932); Nieuwe Utrechtse Courant (20 juni 1932); Het Vaderland (17 april 1928); Het Vaderland (8 februari 1929); Zutphense Courant (23 april 1927): De Tijd, Godsdienstig-staatkundig Dagblad (4 april 1925); Amstelbode (4 april 1925)
[18] Diensttagebuch für Blockführer von Dienst (7 november 1942); Verklaring Fritz Ullmann aan Marc Ullmann, Utrecht (z.d.)
[19] C. Dommerholt, X. van Beuningen, L. Speerstra, W. van Meurs, M. Oprel, Joodse burgers in Amstelveen: onteigening en rechtsherstel; onderzoek in opdracht van de gemeente Amstelveen, Nijmegen (2024), p. 17-69; www.joodsmonument.nl/nl/page/387663/plaquette-de-kring
[20] K. Sluys, Herman Bianchi en zijn levenslange strijd voor gerechtigheid, Amsterdam (2015), p. 11-256