De invoering van de Neurenberger rassenwetten in Nederland en de gevangenschap van Joodse mannen en vrouwen in Kamp Amersfoort en het Oranjehotel
Door Corien Glaudemans en Floris van Dijk
Neurenberger rassenwetten in Nederland
Tussen maart en mei 1942 zijn circa vijftig Joodse mannen en vrouwen gevangengezet in Kamp Amersfoort en het Oranjehotel, de Duitse gevangenis in Scheveningen. Zij bleken de eerste slachtoffers te zijn van de invoering van de Neurenberger rassenwetten in Nederland. Al zeven jaar eerder, op 15 september 1935, waren deze wetten in Duitsland afgekondigd. Een onderdeel daarvan was de ‘Gesetz zum Schutze des deutschen Blutes und der deutschen Ehre (Blutschutzgesetz’, de wet ter bescherming van het Duits bloed en de Duitse eer. Deze wet verbood huwelijken en buitenechtelijke relaties tussen Joden en ‘onderdanen van Duits of verwant bloed’. Daarnaast mochten Joodse mannen geen niet-Joodse vrouwen van 45 jaar en jonger in dienst nemen in hun huishouden. Dit laatste was gebaseerd op de veronderstelling dat ‘de Joodse man’ seksuele misdrijven zou gaan plegen.
Het uitstel van de wet op de verboden huwelijken was slechts van korte duur. De directe aanleiding voor de politieke wijziging was een artikel in Het Nationale Dagblad. Op zaterdag 21 maart 1942 verscheen in die NSB-krant een artikel onder de kop ‘Vluchten in … het huwelijk. Een joodsch listigheidje?’ waarin de schrijver opmerkte dat er ongebruikelijk veel Joden in ondertrouw waren gegaan en een directe relatie legde met berichten dat getrouwde Joodse mannen niet voor Nederlandse werkkampen werden opgeroepen. In de tweede week van maart waren inderdaad 74 huwelijken gesloten, waarvan 11 huwelijken gemengd waren. Van de 283 Joodse huwelijken die in de derde week werden gesloten waren er 22 gemengd.[2] Het bericht over deze huwelijken bereikte natuurlijk ook Seyss-Inquart. Daarop besloot hij na overleg met Fritz Schmidt, Generalkommissar zur besonderen Verwendung (voor speciale opdrachten) en Friederich Wimmer, Generalkommissar für Verwaltung und Justiz (bestuur en justitie) dat de Neurenberger rassenwetten vanaf 23 maart 1942 ook in Nederland zouden gelden.[3]
Tevergeefs protesteerden de voorzitters van de Joodse Raad voor Amsterdam, Abraham Asscher en David Cohen, bij Willy Lages, hoofd van de Aussenstelle der Sicherheitspolizei und des Sicherheitsdienstes voor Noord-Holland en Utrecht, en RegierungsratJ.A. Rombach. Als antwoord kregen zij enkel te horen dat het besluit moest worden afgekondigd en het dezelfde kracht had als andere verordeningen. En inderdaad, vier dagen later stond de nieuwe anti-Joodse maatregel op de voorpagina van Het Joodsche Weekblad: ‘Naar ons door de betrokken Duitsche autoriteiten wordt medegedeeld, is aan Joden het huwen en de buitenechtelijke geslachtelijke omgang met niet-Joden verboden’.[4]
Aan het eind van de maand maart volgden officiële berichten over arrestaties. Op 31 maart 1942 schreef Wimmer aan Jaap Schrieke, secretaris-generaal van het departement van Justitie, dat het aantal gemengde huwelijken ‘in buitensporige mate was toegenomen’ en gaf hem de opdracht aan alle ambtenaren van de Burgerlijke Stand in Nederland te melden dat alle voorgenomen gemengde huwelijken moesten worden gemeld bij het Referat IVB4 in Den Haag, het zogenaamde Judenreferat dat zich bezighield met alle maatregelen tegen Joden in Nederland.[5] Maar het kwaad was al in de weken daaraan voorafgaand geschied. Het verbod op een gemengd huwelijk was met terugwerkende kracht in werking gegaan. Ongeveer dertig Joodse mannen – niets wetend van de nieuwe verordening – waren in Amsterdam gearresteerd door de Sicherheitsdienst, alleen vanwege het simpele feit dat zij hun ondertrouw hadden gemeld bij de Burgerlijke Stand. Op arrestaties had vanuit Den Haag Willy Zöpf, de chef van Referat IVB4, aangedrongen. Robert van Genechten, de procureur-generaal in Den Haag, deed er nog een schepje bovenop en deelde mee dat hij alle Joden zou laten arresteren waarvan bekend was dat zij zich ophielden met ‘arische vrouwen’. En met een lastgeving van de BdS (Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des Sicherheitsdienstes), Wilhelm Harster, werden de mannen opgesloten in Kamp Amersfoort.[6]
De gevangenen in Kamp Amersfoort
Ondertussen bleven de voorzitters van de Joodse Raad aan de bezetter vragen wat er met de gearresteerde mannen aan de hand was. Op 7 april ontvingen zij een bericht dat de gevangenen ‘spoedig vrij’ zouden komen. Maar er gebeurde weinig. Volgens Presser schenen rond 16 april twee mannen te zijn vrijgelaten, maar daarover zijn geen verdere details bekend. Op 7 mei kwam eindelijk bericht dat allen doorgestuurd waren naar Kamp Amersfoort.[7] Daar waren de Joodse mannen inderdaad begin mei 1942 terechtgekomen. Gevangenen die de mannen door de poort van Kamp Amersfoort zagen binnenkomen, getuigden over de opvallende nieuwelingen. Tussen de andere arrestanten waren zij heel duidelijk herkenbaar. Op hun kleding was namelijk een grote gele ‘R’, de ‘R’ voor Rassenschande, vastgemaakt.[8]
Kamp Amersfoort kende een structureel systeem van honger, dwangarbeid en mishandeling, en de constante dreiging van transporten en executies. Joden werden extra gewelddadig aangepakt door middel van onthouding van eten, zware fysieke ‘oefeningen’, eindeloze strafappèls en de zware dwangarbeid in het Judenkommando, waar onwaarschijnlijk hard werd geslagen. Vele medegevangenen beschreven schokkende en sadistische misdragingen van bewakers tegen Joden en mannen die waren opgesloten vanwege Judenhilfe, zowel in memoires als in naoorlogse processen verbaal tegen daders.[9]
Binnen die gewelddadige spiraal waren de bewakers extra gespitst op de ideologisch zo verfoeide ‘rassenschenders’, één van hen is zelfs vermoord. In Kamp Amersfoort zijn tenminste 81 andere Joodse gevangenen ter plekke vermoord.
Bij het verlaten van Kamp Amersfoort hebben de bewakers in april 1945 de oorspronkelijke administratie in brand gestoken. Door onderzoek van Nationaal Monument Kamp Amersfoort in binnen- en buitenlandse archieven, naoorlogse processen verbaal en egodocumenten zijn van de 47.000 gevangenen nu 36.386 met naam en toenaam bekend. Daarvan waren 2.382 mannen, vrouwen en kinderen Joods. Voor zo ver nu bekend arriveerden in april 1942 27 Joodse mannen in Kamp Amersfoort, in mei 47 en in juni 157.
We kennen tot nu toe zeven namen van mannen in Kamp Amersfoort die met de gele letter ‘R’ op de kleding het kamp binnenkwamen[10] :
- Jacob Acohen (gevangene nummer 414; Amsterdam, 13 oktober 1903–Mauthausen, 29 juni 1942), marktkoopman. Hij was op 17 maart 1942 in ondertrouw gegaan met een niet-Joodse vrouw[11]

- Jonas (John) Leonard Benjamins (# 417; Amsterdam, 8 mei 1913–Leusden, 16 mei 1942), postzegelhandelaar
- Louis Cohen (# onb.; Amsterdam, 3 januari 1918–Mauthausen, 6 juli 1942), kantoorbediende. Hij was op 24 maart 1942 in ondertrouw gegaan met een niet-Joodse vrouw.
- Albert Leopold de Haas (# onb.; Groningen, 1 augustus 1906-Mauthausen, 29 juni 1942). Hij was op 23 januari 1942 in ondertrouw gegaan met een niet-Joodse vrouw.
- Jacques Israel van Kreveld (# onb.; Amsterdam, 19 april 1913–Mauthausen, 23 juni 1942), musicus. Hij was op 17 maart 1942 in ondertrouw gegaan met een niet-Joodse vrouw.

- Abraham Montezinos (# 433; Amsterdam, 3 juni 1905–Mauthausen, 25 juni 1942), koopman. Hij was op 13 maart 1942 in ondertrouw gegaan met een niet-Joodse vrouw.
- Isidore Zeehandelaar (# onb.; Amsterdam, 5 mei 1886–Auschwitz, 16 augustus 1942), arts.
De Amsterdammers Benjamins, Cohen, Van Kreveld en Montezinos zijn gearresteerd toen zij in ondertrouw wilden gaan; Acohen op de dag van zijn geplande huwelijk.[12]
Onder de kampbewakers in Kamp Amersfoort was de officiële aanleiding voor de arrestaties van de ‘R’-mannen niet bekend. Over de gehuwde arts Zeehandelaar vertelden de kampbewakers elkaar dat hij was gearresteerd omdat hij ‘voor grote sommen abortus’ had gepleegd. Ook over de andere mannen deden kwalijke geruchten de ronde. Volgens de kwaadsprekende kampbewakers zouden zij ‘arische vrouwen’ hebben verkracht.[13] Zou dat de aanleiding zijn geweest om deze mannen in het kamp op een vreselijke wijze te mishandelen? Uit de herinneringen van Dirk Folmer en Jan Roorda en het onderzoek van Amanda Kluveld weten we dat de ‘R’-gevangenen het bijzonder zwaar hadden in Kamp Amersfoort en direct na binnenkomst uiterst wreed werden behandeld.[14]
Folmer had deelgenomen aan activiteiten van de verzetsgroep De Oranjewacht. Hij zat sinds 20 maart 1942 in Kamp Amersfoort. Folmer ontsnapte op 29 mei 1942 en werkte op zijn onderduikadres in Amsterdam zijn aantekeningen uit over de gebeurtenissen in het kamp. Ook de Haarlemse huisarts Roorda was een verzetsman. Hij weigerde lid te worden van de Artsenkamer en was lid geweest van de verzetsgroep Medisch Contact. Roorda zat van 20 maart 1942 tot 4 augustus 1942 gevangen in Kamp Amersfoort en was daar kamparts. Zowel Folmer als Roorda hadden met eigen ogen gezien hoe de ‘R’-gevangenen werden mishandeld en vermelden schokkende details. De behoefte bij de bewakers om deze nieuwe gevangenen te kwellen was overduidelijk.[15]Folmer schreef dat deze gevangenen omstreeks 4 mei 1942 in Kamp Amersfoort binnenkwamen en noteerde hoe de Duitse kampcommandant Karl Peter Berg met een stok naar de mannen toeliep en hen toesprak met de woorden: ‘Na, so – da haben wir unsre Freunde, die Rassenschänder’. Daarna sprong hij op hen af en begon ze te schoppen en af te ranselen. Tot slot stuurde hij de mannen naar de poort van het kamp, waar hij ze de hele dag voor straf liet staan.[16]
De kampbewakers hadden een uitgesproken mening over de nieuwe gevangenen. Folmer:
‘In de garage stonden Burgers, Dikke Willie en nog enkele anderen over de Rassenschenders te praten. “Het was tuig”, vertelde Dikke Willie: “Ze hadden allemaal Christenvrouwen verkracht en sommigen zelfs een kind bij zo’n vrouw gekregen. Neem nou die dokter Zeehandelaar, dat was een arts uit Amsterdam en een ploert die door de arbeiders vervloekt werd. Hij had een baan bij de Rijksverzekeringsbank en daarin buitte hij de arbeiders uit. Daarnaast pleegde hij voor grote sommen abortus”.
Folmer: ‘Of dat nou waar was of niet, de manier waarop dit alles besproken werd was zo walgelijk’. Volgens de kampbewakers hadden de ‘R’-Joden de grootst mogelijke zonde gepleegd. Folmer was het daar duidelijk mee oneens. In zijn memoires noteerde hij zijn commentaar op deze bewering en schreef dat het allemaal ‘Moffrikaanse propagandaverhalen’ waren. Zeehandelaar was geneesheer in het Binnengasthuis in Amsterdam geweest, waar hij op 1 maart 1941 ontslag had gekregen. Ook alle andere Joodse ambtenaren in Nederland waren op die dag ontslagen.
Roorda noemt 1 mei 1942 als aankomstdatum van de nieuwe gevangenen in Kamp Amersfoort. In zijn memoires staan de volgende aantekeningen:
‘ ’s avonds zijn alle nieuwelingen kaalgeknipt en geschoren. Priesters, Joden, sportslui, zwarte handelaren zijn genivelleerd tot grauwe anonyme Haftelingen van het P.D.A. [Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort]. Onder de nieuwelingen zijn [sic] er een aantal die een grote gele R dragen. Dat zijn ‘Rassenschänder’, Joden die met arische meisjes verloofd waren. Een paar van deze Rassenschänder worden het mikpunt van de Duitsers. Een Amsterdamse arts , Dr. Z. [Isidore Zeehandelaar] en een postzegelhandelaar [Jonas Benjamins] een vriendelijke rustige kinderlijke man, moeten “kaput gemacht” worden. Dr. Z. ligt de volgende dag al uren lang bij de poort, is een ellendig gezicht daar een mens te zien liggen als een hoopje vuil. Maar wie zou het wagen hem te gaan helpen zou het voor zichzelf en voor het slachtoffer en voor alle andere Joden nog erger maken.’[17]
Ook Folmer zag de slachtoffers van nabij. Dokter Zeehandelaar liep door het kamp met een flinke buil op zijn slaap en een dichtgeslagen oog. Postzegelhandelaar Benjamins zakte voor zijn ogen in elkaar en overleed een paar dagen later. Roorda schreef over de gebeurtenissen:
‘En het postzegeljoodje, als een hoopje vuil vind ik hem in zijn barak, klagend en steunend en roerend dankbaar voor de hulp die wij hem geven. Een broomdrank [een kalmerend middel] stop ik hem toe en een paar morphine poeders. Het postzegeljoodje is taai en van plan om te blijven leven. Hij is een mismoedig en zachtmoedig man met bruine vriendelijke ogen. Waarom zouden de Duitsers hèm juist kapot willen maken, vraag ik mij af? Een paar dagen wordt hij overdag vervolgd en mishandeld en ’s nachts lijdt hij de vreselijkste pijnen op zijn krib in de barak. Dan krijgt hij diarrhee en hoge koorts en een thrombose van zijn mishandelde benen. We brengen hem naar het Revier waar de ‘Rassenschänder’ al spoedig sterft. De tocht naar Polen is hem bespaard gebleven.’[18]
Benjamins overleed op 16 mei 1942 aan de gevolgen van de mishandelingen in Kamp Amersfoort.[19] Roorda beschreef ook dat Duitse bewakers de gewoonte hadden om ’s avonds in de barakken langs te komen puur om de ‘Rassenschänder’ te treiteren. Ze vertrokken pas nadat zij naar de hoofden van deze mannen nog een paar bedreigingen hadden geslingerd.[20]
De Amsterdamse arts Zeehandelaar werd door de bewakers bont en blauw geslagen. Roorda gaf hem een morfine-injectie tegen de pijn. Volgens de kamparts was de man ‘doodwanhopig’. Wekenlang lag hij in de ziekenbarak. Zeehandelaar werd verzorgd, maar was niet populair bij de artsen. Roorda:
‘We mochten hem niet graag, hij was een vleierig en zeurderig man. Waarschijnlijk is hij nu in Polen verbrand of begraven.’
Op 16 juli 1942 is Isidore Zeehandelaar vanuit Amersfoort gedeporteerd naar Auschwitz, waar hij een maand later is vermoord. De overige ‘R’-mannen zijn allen vanuit Amersfoort direct naar Mauthausen gedeporteerd en binnen een paar dagen of weken daarna vermoord. Volgens de overlijdensakte van Van Kreveld was hij uit eigen beweging tegen stroomdraad aangelopen. Acohen, Cohen en Montezinos zouden zijn doodgeschoten bij individuele pogingen te ontvluchten uit Mauthausen.[21]

Joodse bruiden in het Oranjehotel
De namen van de 21 vrouwen die in april en mei 1942 zijn gearresteerd, zijn bekend uit het procesdossier van Willy Zöpf en het inschrijvingsregister van de Scheveningse gevangenis, officieel Polizeigefängnis Scheveningen, of met de bijnaam ‘Het Oranjehotel’, vanwege het grote aantal verzetslieden dat daar opgesloten zat. Maar vaak wordt vergeten dat veel mensen daar alleen vastzaten, omdat ze Joods waren.[22] In de Scheveningse cellenbarakken hebben meer dan 2000 Joden opgesloten gezeten, onder hen de 21 Joodse vrouwen die ondanks het verbod van maart 1942 met een niet-Joodse man wilden trouwen.
De gevangenneming van sommige van hen, zoals Ranni (Espérance Alida) Nijkerk, Rika Scharis en Helene Lax-Loewenthal, vond ook plaats op of omstreeks 2 april 1942. Andere arrestaties volgden in de weken daarna.
Lida Nijkerk schreef na de oorlog haar memoires met herinneringen aan het leven van haar familie vóór en tijdens de oorlog. Ook verhaalde zij uitgebreid over haar oudere zusje Ranni.[23] De zussen Nijkerk hadden politiek-actieve ouders, die voor de oorlog onderdak boden aan gevluchte Joden uit Duitsland en antifascistische strijders in de Spaanse Burgeroorlog steunden.
In 1941 deed Ranni eindexamen HBS-B. Vanwege de anti-Joodse maatregelen kon zij niet gaan studeren en besloot toen te gaan werken bij de Joodse Raad. In die tijd kreeg ze verkering met de niet-Joodse verzetsman Bertus. Lida Nijkerk:
‘Begin maart 1942 gingen Bertus en Ranni in ondertrouw, bang dat de Neurenberger wetten (o.a. verbod huwelijken te sluiten tussen Joden en niet-Joden) in werking zouden treden. 2 april 1942 ’s morgens om 7.00 werd er bij ons gebeld en een Nederlandse rechercheur vroeg of Espérance Nijkerk thuis was ja … In nachtkleding stonden we in de huiskamer, verdwaasd en geschrokken. Ranni moest zich aankleden en met de rechercheur mee naar het politiebureau in de Doelenstraat […] We keken Ranni na en moeder sprak toen de profetische woorden: “die zien we niet meer terug”. Ik werd er meteen op uitgestuurd om Bertus te waarschuwen. Toen ik op het Roelof Hartplein, waar Bertus toen woonde, aankwam zag ik Ranni met de rechercheur. Ze hadden zojuist het huis van Bertus verlaten. Ze had de rechercheur zover kunnen krijgen om in plaats van rechtstreeks naar het politiebureau te gaan, eerst naar Bertus [te gaan] om afscheid te nemen.’
Ranni werd na de Doelenstraat overgebracht naar het Huis van Bewaring aan de Amstelveenseweg in Amsterdam. Haar ouders hebben nog pogingen ondernomen om haar ‘met geld’ vrij te krijgen. Het was tevergeefs.
Andere gebeurtenissen kennen we uit naoorlogse getuigenverklaringen die in 1965 zijn opgetekend door Reinier Scherer, bijzonder ambtenaar van de rijkspolitie, voor het proces tegen Willy Zöpf.[24] Daaruit weten we dat de vrouwen kort voor 14 mei 1942 een oproep hebben gekregen om te verschijnen bij de Sicherheitsdienst. Vooral de herinneringen van Co (Jacobus) Steens en zijn vriend Kees Bakker maken duidelijk wat er die dagen is gebeurd. Eén van de slachtoffers was namelijk Rachel Rine, de partner van Co Steens. Rachel Rine was al op 7 oktober 1941 in ondertrouw gegaan met Co Steens. Om onbekende redenen was hun huwelijksdatum vooruitgeschoven vertelde Steens op 11 januari 1965 aan Reinier Scherer. Vóór de oorlog had Steens een café aan de Warmoesstraat 57 in Amsterdam, waar Rachel buffetjuffrouw was. Toen zij in het café van Steens aan de slag ging, was zij nog gehuwd met Joop (Johannes Gerardus) Arts. Samen met hem had zij een zoontje Piet (Petrus Johannes). Maar Steens kreeg een relatie met Rachel en die had de echtscheiding van Rachel en Joop tot gevolg. Zoontje Piet bleef daarna bij de vader.
Steens benadrukte in het gesprek met Scherer dat hij van Rachel Rine had gehouden en graag met haar had willen trouwen:
‘Het was dus niet zo, dat ik later met haar in ondertrouw ben gegaan om haar uit handen van de Duitsers te houden, ofschoon dat natuurlijk wel in mijn hoofd speelde toentertijd. Wij woonden al enige tijd samen, toen wij in ondertrouw gingen. Wij deden dat in Amsterdam, op het stadhuis, waar wij beiden in persoon zijn verschenen. Ik wist toen niets van een Duitse verordening af, of die er was, of die in voorbereiding was, krachtens welke het aan Joden verboden zou zijn of worden, om met niet-Joden in ondertrouw te gaan… Ik heb van iets dergelijks op het stadhuis uit de mond van de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand ook niet vernomen.’
Co Steens en Rachel Rine hadden het plan na het huwelijk ‘samen het café verder te drijven’. Uit de ondertrouwakte van Steens en Rine blijkt dat de inschrijving voor het voorgenomen huwelijk plaatsvond op 7 oktober 1941, dus lang voordat de verordening was uitgevaardigd.
Rond half mei kreeg Rachel Rine een oproep ‘om bij de Sicherheitsdienst te Amsterdam te komen’. Steens ontraadde Rachel sterk om te gaan, ‘maar zij was zich van geen kwaad bewust en ze zei, dat ze niets op haar geweten had. Daarom ging zij. Had ze dat maar nooit gedaan, want ik heb haar nimmer meer terug gezien. Ik herinner mij, dat zij tegen mij zei: “Het zal zo’n vaart niet lopen!” ’
Twee dagen nadat Rachel was vertrokken kreeg Steens zelf een oproep om bij de Sicherheitsdienst aan de toenmalige Euterpestraat 99 (thans Gerrit van der Veenstraat) in Amsterdam te komen. Ook Steens was ‘zich van geen kwaad bewust’ en is daarom gegaan, ook al omdat hij hoopte ‘iets van Rachel te weten te komen’. Direct na binnenkomst in de Euterpestraat werd hij door de man die hem zou gaan verhoren uitgescholden voor ‘Jodenvriend’. Uit het gesprek begreep Steens dat alles draaide om de ondertrouw. Na een verhoor van twee dagen, waarbij Steens regelmatig in zijn gezicht is geslagen, is hij weer vrijgelaten. Steens wist toen zeker dat ‘Rachel is gedeporteerd en vermoord, alleen om het feit van haar omgang met mij.’
Van zijn vriend de rijwielhandelaar Kees Bakker uit Zaandam had hij kort daarna een bericht gekregen dat hij Rachel op het Centraal Station in Amsterdam had gezien, waar zij volgens Bakker ‘als gevangene van de Duitsers in een trein werd gestopt.’ Kees Bakker had nog een klap van Duitser gekregen, omdat hij Rachel ‘toesprak’.
Ook Bakker deed in 1965 zijn verhaal. Toen hij in mei 1942 onderweg was naar een wielerwedstrijd in Leiden, zag hij op een van de perrons op het Centraal Station in Amsterdam een ‘groep vrouwen die door de Duitsers een trein ingedreven werd’. Onder die vrouwen bevond zich Rachel Rine, die hij goed kende. ‘Ik riep iets naar haar, waarop een der begeleidende Duitsers mij een klap met de kolf van zijn geweer toediende’. Wat Rachel had geroepen wist Kees Bakker in 1965 niet meer. De wielerwedstrijd ‘De Ronde van Leiden’, waarnaar Kees Bakker op weg was vond plaats op 14 mei 1942. Rachel Rine is dus direct na haar arrestatie vanuit Amsterdam naar Scheveningen overgebracht.[25]
Op 13 januari 1965 vertelde ook textielhandelaar Salomon Rine, de broer van Rachel, zijn verhaal aan Reinier Scherer: ‘Ik weet nog, dat mijn zusje zich op een gegeven moment bij de Duitse Sicherheitsdienst moest melden, samen met andere Joodse meisjes, die ook met niet-Joden in ondertrouw waren gegaan. Ik weet dat zo zeker, omdat zij mij dit zelf gezegd heeft’. Zij zag de oproep niet ernstig in. De verordening dat een dergelijk huwelijk destijds was verboden, ofschoon die in Het Joodsche Weekblad had gestaan, kende Salomon niet. Een foto met een stralend lachende Rachel gaf hij aan Scherer. Deze inmiddels zwaar verbleekte foto bevindt zich nu in het procesdossier van Willy Zöpf.[26]
De getuigenissen bevestigen wat ook uit andere bronnen blijkt. Kort voor 14 mei 1942 kregen de meeste Joodse vrouwen in Amsterdam die in ondertrouw waren met een niet-Joodse man een oproep te verschijnen bij de Sicherheitsdienst aan de Euterpestraat. Direct na binnenkomst zijn toen de meeste vrouwen gearresteerd.
De namen van 21 gearresteerde vrouwen zijn bekend uit het procesdossier van Willy Zöpf en het inschrijvingsregister van de Scheveningse gevangenis, officieel Polizeigefängnis Scheveningen, of met de bijnaam ‘Het Oranjehotel’, vanwege het grote aantal verzetslieden dat daar opgesloten zat.[27]
Op 14 mei 1942 zijn de vrouwen ingeschreven in de Scheveningse gevangenis. Waarschijnlijk droegen ook zij net als de mannen een gele ‘R’ op de kleding, maar daarover zijn geen meldingen in de bronnen. Omdat op 2 mei de Jodenster was ingevoerd waren zij in ieder geval verplicht die te dragen.

Namenlijst van de vrouwen:
- Sara Agsteribbe (Amsterdam, 28 april 1918–Auschwitz, 30 september 1942), boekhoudster. Op haar Joodse Raadkaart staat de vermelding: ‘gearr. wegens voorgenomen gemengd huwelijk’.
- Rosette Beer-Eisendrath (Amsterdam, 24 december 1882–Auschwitz, 8 oktober 1942). Zij was sinds 1922 weduwe van Siegfried Nathan Beer

- Helena Belinfante (Amsterdam, 16 oktober 1920-Auschwitz, 11 november 1942), verkoopster
- Sientje van der Berg (Amsterdam, 12 juli 1917–Auschwitz 17 november 1942), naaister
- Judith Bos (Amsterdam, 28 augustus 1894–Auschwitz, 8 oktober 1942), winkelbediende
- Sophie (Fietje) Braasem (Amsterdam, 9 december 1915–Auschwitz, 8 oktober 1942), naaister. Sophia Braasem werd in 1942 gearresteerd, één dag voor haar huwelijk met haar niet-Joodse verloofde. Zij was op 17 maart 1942 in ondertrouw gegaan met Jan Dirk van Hunen[28]
- Elly Julie (Julia) Heller-Friedmann (Berlijn, 17 oktober 1885–Auschwitz, 7 oktober 1942)
- Ruth Johanna Sara Hirsch(Berlijn, 9 juli 1904–Auschwitz, 29 oktober 1942), hulp in de huishouding
- Sophia Sara Isenberg(Wittenberge, 1 maart 1915–Auschwitz, 29 oktober 1942), dienstbode
- Ellen Marie Konijn
,(Amsterdam, 1 september 1914–Auschwitz, 11 oktober 1942), kantoorbediende - Helena Koster(Amsterdam, 13 november 1889–Auschwitz, 11 oktober 1942), pedicure
- Helene Luise Lax-Loewenthal (Helena Louisa) (Berlijn-Charlottenburg, 22 april 1910–Florida, 10 februari 2007). In 1933 had Helena ongehuwd haar dochter Sylvia Violet (1933-1993) gekregen. Helene trouwde op 6 maart 1940 in Amsterdam met Alois Lax (Laks) (Rzaka Brünn, Brno, Tsjechië, 12 mei 1906–Amsterdam, 8 juni 1941). Zij was in 1938 vanuit Duitsland naar Amsterdam gevlucht. Op 2 april 1942 is zij gearresteerd in Duitsland
- Catharina Mok (Amsterdam, 23 oktober 1900–Auschwitz, 21 januari 1943), kantoorbediende
- Espérance Alida (Rannie) Nijkerk (Amsterdam, 6 oktober 1921–Auschwitz, 29 oktober 1942), kantoorbediende

Na haar eindexamen HBS-B op 1 juli 1941 werkte Espérance Alida Nijkerk zeven maanden op kantoor. Ze ging in ondertrouw met een niet-Joodse man. Omdat zij in 1940 lid was geworden van de CPN, komt zij ook voor op de erelijst van de CPN
- Aaltje Henriette Nordheim (Amsterdam, 18 september 1912–Auschwitz, 1 november 1942), modiste.

- Elsken Os (Enschede, 26 januari 1921–Auschwitz, 1 november 1942), verkoopster
- Rachel Rine (Amsterdam, 4 augustus 1920–Auschwitz, 29 oktober 1942), buffetjuffrouw

- Sara Lomaz (Amsterdam, 26 november 1916–Auschwitz, 5 november 1942), handwerkster
- Rika Scharis (Amsterdam, 26 juni 1922–Auschwitz, 1 november 1942), kostuumnaaister. Op 2 april 1942 is zij gearresteerd en heeft tot 14 mei 1942 vastgezeten in het Huis van Bewaring aan de Amstelveenseweg in Amsterdam.
- Ida Sara Turcsan (Wenen, 24 juli 1896–Auschwitz, 29 oktober 1942), modiste
- Rachel Wolff (Oberhausen, 24 juli 1919–Auschwitz, 13 november 1942), knipster
Wrang is dat op 15 mei 1942 een regeling volgde dat de niet-Joodse partner zich tot de chef van de Burgerlijke Stand kon wenden met de mededeling dat men terugkwam op het voorgenomen huwelijk. De chef zou dan de ondertrouwdocumenten terugsturen.[29] Maar voor de ‘Joodse bruiden en bruidegoms’ in de Scheveningse gevangenis en in Kamp Amersfoort kwam deze regeling veel te laat. Zij moesten het wrede regime in Amersfoort of in het Oranjehotel ondergaan. Zowel mannen als vrouwen waren slachtoffer van de beestachtige wijze waarop bewakers tegen de Joden optraden.[30]
In het Oranjehotel heeft verzetsvrouw Titia Gorter (Winschoten, 6 november 1879–Ravensbrück 6 maart 1945) aantekeningen gemaakt over deze groep Joodse vrouwen. Gorter zat van 17 februari 1942 tot 15 januari 1943 als gevangene in Scheveningen. Haar brieven – geschreven op wc-papier – zijn uit de gevangenis gesmokkeld. Met mededogen schreef ze over de ‘Joodse bruiden’, zoals zij de vrouwen in een van haar brieven noemde. Bij haar in de cel verbleef korte tijd een knap en aardig meisje. Ook schreef Gorter dat de jonge Joodse vrouw achttien jaar oud was.[31] Deze celgenote moet Rika Scharis zijn geweest. Zij was de jongste van de vrouwen en pas 19 jaar oud. Gorter heeft de vrouwen ongeveer vier weken meegemaakt. Op 18 juni volgde de deportatie van de ‘Joodse bruiden’ naar concentratiekamp Ravensbrück.
Mauthausen-Ravensbrück-Auschwitz
Begin juni 1942 waren de mannen nog in Amersfoort en de vrouwen in Scheveningen. Op 1 juni deed Abraham Asscher, de voorzitter van de Joodse Raad, opnieuw een poging om de gevangenen vrij te krijgen. Tot Willy Lages richtte hij het dringende verzoek de mannen en vrouwen te laten gaan. Asscher benadrukte dat inmiddels alle niet-Joden hun relatie met de Joodse gevangenen hadden verbroken. Lages beloofde op 23 juni dat er spoedig ‘een beslissing zou komen’. Een erg misleidende mededeling, want de beslissing van Harster en Zöpf lag er al weken: de vrouwen moesten naar Ravensbrück en de mannen naar Mauthausen. Nog wranger was dat op 23 juni de deportaties al hadden plaatsgevonden: de mannen hadden op 12 juni Amersfoort verlaten en de vrouwen op 15 juni het Oranjehotel.[32] De mannen arriveerden op 20 juni in Mauthausen. Zij werden kort na hun aankomst vermoord. De vrouwen kwamen na een tussenstop in Düsseldorf op 18 juni in concentratiekamp Ravensbrück. Tijdens de deportatie naar Duitsland heeft Ranni Nijkerk nog een briefje uit de trein gegooid met de woorden: ‘zeg onze moeders dat we naar Duitsland gaan’.[33]
Over Rannie en de andere Joodse vrouwen in Ravenbrück is iets bekend. Over hen schreef communiste en medegevangene Corrie Clerckx:
‘Rannie Nijkerk was in Ravensbrück bij de “Joodse bruidjes” in blok 7. Daar heerste een onbeschrijfelijke toestand. Het gros van deze vrouwen was niet normaal meer en ook in deze tijd werd elke geneeskundige hulp aan de joodse vrouwen geweigerd. Daar zij in het kamp barrevoets moesten lopen hadden de vrouwen voortdurend zwerende voeten en geheel gezwollen. Rannie heeft hier gelukkig geen last van gehad. Rannie was in het kamp veel tezamen met Jetje Polak[34], de dochter van Prof. Leo Polak uit Groningen. Beide meisjes waren ondanks de narigheid heel flink en verdienden de grootste bewondering. De andere Hollandse vrouwen hebben zoveel mogelijk gedaan om de “joodse bruidjes” te helpen en hebben ze gesteund voorzover ze konden. Hoe groot was dan ook de spanning, die er telkenmale heerste, wanneer alle joodse vrouwen zich moesten melden en uren wachten om te weten of zij op transport naar Auschwitz zouden gaan, waar – dat wisten wij reeds – bijna iedereen vergast werd. Dat uur brak ook voor Rannie, maar boven verwachting was zij erg flink en heeft zich tot het laatste toe goed gehouden’.[35]
De leider van de SS Heinrich Himmler bepaalde op 29 september 1942 dat Ravensbrück ‘Judenfrei’ moest worden gemaakt en dat alle Joodse gevangen naar Auschwitz moesten.[36] Op 5 oktober 1942 zijn de vrouwen gedeporteerd. Daar zijn 20 van de 21 ‘Joodse bruiden’ vergast. Alleen Helene Lax-Löwenthal overleefde het vernietigingskamp. Zij is vanuit Auschwitz teruggestuurd naar Ravensbrück. Op 3 mei 1945 is zij in Parchim, een buitenkamp van Ravensbrück, bevrijd. Na haar terugkeer uit de kampen emigreerde zij in 1947 naar de Verenigde Staten, waar zij op 96-jarige leeftijd is overleden.
Berechting van Willy Lages, Willy Zöpf en Wilhelm Harster
De berechting van de Duitse daders verliep moeizaam. Willi Lages, het beruchte hoofd van de Sicherheitsdienst in Amsterdam, werd op 20 september 1949 door het Amsterdams Bijzonder Gerechtshof ter dood veroordeeld. De Bijzondere Raad van Cassatie bevestigde het vonnis op 12 juli 1950. Koningin Juliana, die gewetensbezwaren tegen de doodstraf had, weigerde het doodvonnis te ondertekenen. Op 23 september 1952 werd het doodvonnis uiteindelijk omgezet in een levenslange gevangenisstraf. Hij was een van de ’Vier van Breda’ en is om gezondheidsreden in 1966 vrijgelaten.[37]

Het leek erop dat Willy Zöpf na de oorlog de dans zou ontspringen en aan zijn berechting zou ontkomen. Op Dolle Dinsdag ging Zöpf ervandoor. Na de oorlog vond hij werk als pianist in een club van het Amerikaanse leger, werd daarna boerenarbeider en vond tenslotte tot aan zijn arrestatie emplooi als sportleraar in een revalidatiecentrum in Murnau in de buurt van München. Door het onderzoek van NIOD-medewerker Ben Sijes, die Zöpf eind jaren ’50 opspoorde in Zuid-Duitsland, kon hij toch worden gearresteerd. In het proces tegen de oorlogsmisdadiger kwam de gevangenneming en de dood van de ‘Joodse bruiden’ nadrukkelijk ter sprake. In de pers werd Zöpf ‘de Eichmann’ van Nederland genoemd. Voor de rechtbank in München bekende Zöpf schuld en verantwoordelijk te zijn voor de dood van de meeste Joodse Nederlanders. Hij wist wat er met de Joden ging gebeuren. Zöpf kreeg een gevangenisstraf van negen jaar opgelegd.[38]
Harster was het hoofd van de Sicherheitspolizei en de baas van Zöpf. In 1949 kreeg hij in Nederland een opmerkelijk lichte straf van twaalf jaren cel voor zijn oorlogsmisdaden. Al in 1953 werd hij vrijgelaten en vertrok hij naar zuid-Duitsland, waar hij carrière maakte bij het Beierse ministerie van Binnenlandse Zaken. In 1966 werd Harster opnieuw gearresteerd en begon de Duitse justitie een nieuw proces tegen hem, vanwege zijn medeverantwoordelijk op de moord van de Nederlandse Joden. In deze rechtszaak werd ook hem zijn betrokkenheid bij de deportatie van de zogenaamde ‘rassenschenders’ aangerekend. Hij had immers op 1 april 1942 het bericht uit laten gaan, dat iedere Joodse man, die op die dag in ondertrouw was met een niet-Joodse vrouw, moest worden gearresteerd en gedeporteerd naar het concentratiekamp Mauthausen. Het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie kon bewijzen dat Harster moest hebben geweten dat niemand een verblijf in Mauthausen kon overleven. De bewijslast rond zijn misdaden bleek dusdanig overtuigend dat hij wel moest bekennen dat hij van de moord op de Nederlandse Joden op de hoogte was geweest. Daarmee was Harster een van de weinige oorlogsmisdadigers die zijn medeweten van de moord op de Nederlandse Joden toegaf. De rechtbank in München veroordeelde hem tot twaalf jaar gevangenisstraf vanwege de door hem gepleegde oorlogsmisdaden. Al twee jaar later is Harster weer vrijgelaten vanwege het berouw dat hij had getoond tijdens zijn proces. Naar aanleiding van het proces besloot de universiteit van München Harster zijn doctorstitel officieel te ontnemen.[39]
Met dank aan Gerben Post
Noten
[1] L. de Jong, Jodenvervolging in Nederland 1940-1945 I, Amsterdam (2018), p. 776-777
[2] Het Nationale Dagblad (21 maart 1942); J. Presser, Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945. I. Soesterberg, (2013), p. 203-209
[3] De Jong, Jodenvervolging, p. 777
[4] Het Joodsche Weekblad (27 maart 1942)
[5] Presser, Ondergang, p. 213
[6] De Jong, Jodenvervolging, I, p. 778; o.a. ArArch doc ID 624; 625; 130404688; 59964
[7] Presser, Ondergang, p. 214
[8] CPN’er Arie Bom (geb. 7 juli 1895) beweerde dat in Kamp Amersfoort rassenschenders en misdadigers een groen merkteken (driehoek) op hun gevangenetenue droegen. Dat is vrijwel zeker niet waar. Gebleken is dat bij naoorlogse herinneringen vaker kleuren van merktekens werden verward. Bovendien zat Bom van 18 september 1942 tot 18 jan 1943 gevangen in Kamp Amersfoort en heeft hij de groep ‘rassenschenders’ niet meegemaakt. A. Bom, ‘Arie Bom, de Haagse “terrorist”, doet verslag van zijn ervaringen in het “Oranjehotel”, kamp Amersfoort en kamp Vught, 1942-1943’, www.aaap.be/Pages/Arie-Bom-1942.html
[9] E.J. Bulten, Aaltense gijzelaars; naar het dagboek van E.Joh. Bulten no. 230, Aalten (1970), p. 38; J.H. van Doorne, Gijzelaars achter prikkeldraad; in het concentratiekamp te Amersfoort en Vught, Anna Paulowna (1990), p. 66-67; B. Goedemans, Hinten Stacheldraad; politisches Durchgangslager nummer 9300, ’s Graveland (1944), p. 8; J.H. van den Hengel, Een memorie van het kampleven van het kampleven in Scheveningen en Amersfoort, van 8 november 1942 tot 14 januari 1943, Driebergen (1992), p. 8; C.N. Impeta, Kampleed en hemelzegen, Groningen (1946), p. 29-30; L.W. Schmidt, Modern bagno; ervaringen uit het concentratiekamp, Rotterdam (1945), p. 27-33; J. Sligter, Het verhaal dat ik nooit vertelde, Berkel en Rodenrijs (2003), p. 3-4; A. Wijtenburg, ‘No choice’, ‘Geen keus’, West Mackay (2002) p. 154-155, 174; Processen verbaal: Contra Van Es (17 december 1948); Onderzoek contra Appelo, Peter (29 mei 1947); BOOM, Aangifte contra Johannes Jurriën Gombert (10 december 1946); Van 13 getuigen contra Maximiliaan de Ridder (12 maart 1949)(Collectie NMKA)
[10] H.E. Dominicus, Mauthausen. Een gedenkboek (2de herziende druk Amsterdam 2009), online geraadpleegd op 11 maart 2026; joodsmonument.nl; G. Post, Laat varen alle hoop. Nederlandse gevangenen in Mauthausen, Amsterdam (2025) p. 120; www.stolpersteineschilderswijkgroningen.nl/slachtoffers-in-de-schilderswijk/blekerstraat-zoeken-op-naam/blekerstraat-24a/
[11] De Amsterdamse marktkoopman Jacob Acohen had sinds 1931 een relatie met de niet-Joodse prostituée Adriana (Jeanne) Valkenburg. Deze Schiedamse slagersdochter (geboren in 1894) had een reputatie als dievegge, bedriegster, chanteuse en dronkenlap. Om niet naar de werkkampen te hoeven gaan, had Jacob zijn vriendin Jeanne ten huwelijk gevraagd. Zij stemde toe en op 17 maart 1942 gingen Jacob en Jeanne in ondertrouw op het Amsterdamse stadhuis. Het stel had het plan op 2 april 1942 te gaan trouwen, maar hun trouwdag eindigde rampzalig. Al vroeg in de ochtend deed de Sicherheitsdienst in de woning van Acohen een inval en zette hem na de arrestatie gevangen in het Huis van Bewaring aan de Amstelveenseweg in Amsterdam. Vanaf mei 1943 ging Valkenburg voor de SD werken en verraadde volgens haar eigen, later weer deels ingetrokken, verklaring 25 tot 30 Joden. In de naoorlogse rechtspleging kreeg zij de doodstraf, omgezet in levenslang en werd in 1959 vrij gelaten (S. van der Zee, Vogelvrij; de jacht op de Joodse onderduiker, Amsterdam (2010), p. 377-383; 494; B. Middelburg, Jeanne de Leugenaarster. Adriana Valkenburg, hoerenmadam, verraadster, femme fatale, Amsterdam (2009), p. 52-99)
[12] Dominicus, Mauthausen; joodsmonument.nl
[13] NIOD, tnr. 244, collectie dagboeken, inv.nr. 307, dagboek van Dirk Willem Folmer, verzetsman en gevangene in Kamp Amersfoort; D.W. Folmer, Dagboek uit Kamp Amersfoort, 1942, Zutphen (2005), p. 15-383
[14] NIOD, tnr. 244, collectie dagboeken, dagboek Folmer en inv.nr. 162, dagboek van Jan Roorda, kamparts in Kamp Amersfoort; J. Roorda jr., Van pacifist tot verzetsstrijder; dagboeken van dr. Jan Roorda, huisarts in Haarlem 1940-1945, Hilversum (2026), p. 7-248; A. Kluveld, Het vergeten verhaal van de Joodse gevangenen van Kamp Amersfoort. De rol van het ‘Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort’ in de vervolging en vernietiging van de Joden in Nederland 1941-1945, Zandvoort (2024), p. 66
[15] NIOD, dagboek Roorda en dagboek Folmer
[16] Idem, tnr. 250d, inv.nr. 151, Registratie gevangenen in de Scheveningse gevangenis 14 mei 1942; De Jong, Jodenvervolging, I, p. 777-779
[17] NIOD, dagboek Roorda, p. 35-36
[18] Idem
[19] Advertentie Het Joodsche Weekblad (5 juni 1942)
[20] NIOD, dagboek Roorda, p. 45
[21] ArArch doc ID 1325118; 1562370; 130404688; 1398530; 5147879; 5149314; 1489880
[22] B. von Benda-Beckman, Het Oranjehotel. Een Duitse gevangenis in Scheveningen, Amsterdam (2019), p. 175
[23] NIOD, tnr. 244, inv.nr. 1488, memoires van Lida Jong-Nijkerk, jongere zus van Ranni Nijkerk
[24] Idem, tnr. 270g, inv.nr. 14, Stukken betreffende het proces tegen Willy Zöpf
[25] Leidsch Dagblad (15 mei 1942)
[26] NIOD, tnr. 270g inv.nr. 14, stukken betreffende het proces tegen Willy Zöpf
[27] Idem, tnr. 250d inv.nr. 151, registratie gevangenis Scheveningen; arolsen-archives.org, Joodse Raadkaarten; Stadsarchief Amsterdam, persoonskaarten
[28] De Telegraaf (19 maart 1942)
[29] Kluveld, Het vergeten verhaal, p. 67
[30] Zie bijvoorbeeld Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, dossier Jan Hijgenaar (Den Haag 1913-Brunssum 1995)
[31] A. Baars, ‘Embroidered names – Nearly forgotten women prisoners in the Second World War’ online publicatie (2021), geraadpleegd op 4 maart 2026
[32] Presser, Ondergang, p. 206; H.E. Dominicus, Mauthausen. Een gedenkboek (2de herziende druk Amsterdam 2009), online geraadpleegd op 11 maart 2026; joodsmonument.nl; NIOD, tnr. 270g inv.nr. 14, stukken betreffende het proces tegen Willy Zöpf
[33] NIOD, memoires van Lida Jong-Nijkerk
[34] Henriette Polak, Amsterdam, 11 oktober 1921–Auschwitz, 11 november 1942
[35] joodsmonument.nl
[36] H. de Vries, Mauthausen. Ein besonderer Fall (2011) 1-24. Online publicatie, pp. 1-24, citaat op p. 11
[37] Bijzonder Gerechtshof/Bijzondere Strafkamer Amsterdam 490920; Bijzondere Raad voor Cassatie 500712
[38] F. Boterman, Duitse daders. De Jodenvervolging en de nazificatie van Nederland (1940-1945), Amsterdam (2015), p. 68; Nieuwsblad van het Noorden (23 januari 1967)
[39] NIOD, tnr. 270g, inv.nr. 14-15, stukken betreffen het proces tegen W. Harster en W. Zöpf, 1963-1964; Bijzonder Gerechtshof/Bijzondere Strafkamer Den Haag 490323; Algemeen Dagblad (25 januari 1967)
GERAADPLEEGDE LITERATUUR, KRANTEN, WEBSITES EN ARCHIEFBRONNEN
Literatuur
A. Baars, ‘Embroidered names – Nearly forgotten women prisoners in the Second World War’ online publicatie (2021), geraadpleegd op 4 maart 2026
A. Bom, ‘Beschaving en cultuur der nazi’s’, www.aaap.be/Pages/Arie-Bom-1942.html
F. Boterman, Duitse daders. De Jodenvervolging en de nazificatie van Nederland (1940-1945) (Amsterdam, Antwerpen 2015)
E.J. Bulten, Aaltense gijzelaars; naar het dagboek van E.Joh. Bulten no. 230, Aalten (1970)
H.E. Dominicus, Mauthausen. Een gedenkboek (2de herziende druk Amsterdam 2009), online geraadpleegd op 11 maart 2026
J.H. van Doorne, Gijzelaars achter prikkeldraad; in het concentratiekamp te Amersfoort en Vught, Anna Paulowna (1990)
D. Folmer, Dagboek uit Kamp Amersfoort, 1942, Zutphen (2015)
B. Goedemans, Hinten Stacheldraad; politisches Durchgangslager nummer 9300, ’s Graveland (1944)
J.H. van den Hengel, Een memorie van het kampleven van het kampleven in Scheveningen en Amersfoort, van 8 november 1942 tot 14 januari 1943, Driebergen (1992)
C.N. Impeta, Kampleed en hemelzegen, Groningen (1946)
L. de Jong, Jodenvervolging in Nederland 1940-1945 I (Verbum en NIOD 2018)
A. Kluveld, Het vergeten verhaal van de Joodse gevangenen van Kamp Amersfoort. De rol van het ‘Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort’ in de vervolging en vernietiging van de Joden in Nederland 1941-1945, Zandvoort (2024)
B. Middelburg, Jeanne de Leugenaarster. Adriana Valkenburg, hoerenmadam, verraadster, femme fatale, Amsterdam (2009)
G. Post, Laat varen alle hoop. Nederlandse gevangenen in Mauthausen, Amsterdam (2025)
J. Presser, Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 I, Soesterberg (2013)
J. Roorda jr., Jan Roorda; van pacifist tot verzetsstrijder; dagboeken van dr. Jan Roorda, huisarts in Haarlem 1940-1945, Hilversum (2026)
L.W. Schmidt, Modern bagno; ervaringen uit het concentratiekamp, Rotterdam (1945)
J. Sligter, Het verhaal dat ik nooit vertelde, Berkel en Rodenrijs (2003)
H. de Vries, Mauthausen. Ein besonderer Fall (2011) Online publicatie, pp. 1-24
A. Wijtenburg, ‘No choice’, ‘Geen keus’, West Mackay (2002)
S. van der Zee, Vogelvrij; de jacht op de Joodse onderduiker, Amsterdam (2010)
Kranten, geraadpleegd via delpher.nl
De Telegraaf (19 maart 1942)
Het Nationale Dagblad (21 maart 1942)
Het Joodsche Weekblad (27 maart 1942 en 5 juni 1942)
Nieuwsblad van het Noorden (23 en 24 januari 1967)
Algemeen Dagblad (25 januari 1967)
Websites
www.expostfacto.nl/nl-verfahren
www.stolpersteineschilderswijkgroningen.nl
Archieven
NIOD
– toegangsnummer 244, collectie dagboeken, inv.nr. 162, Dagboek van Jan Roorda, kamparts in Kamp Amersfoort
– toegangsnummer 244, collectie dagboeken, inv.nr. 307, Dagboek van Dirk Willem Folmer, verzetsman en gevangene in Kamp Amersfoort
– toegangsnummer 244, collectie dagboeken, inv.nr. 1488, Memoires van Lida Jong-Nijkerk, jongere zus van Ranni Nijkerk
– toegangsnummer 250d, inv.nr. 151, Registratie gevangenen in de Scheveningse gevangenis 14 mei 1942 in Oranjehotel, registratie in het Oranjehotel
– toegangsnr. 270g inv.nr. 14-15 Stukken betreffende het proces tegen Wilhelm Harster en Willy Zöpf, 1963-1964
Nationaal Archief
CABR, dossier Jan Hijgenaar (Den Haag 1913-Brunssum 1995)